Opa

De grote spiegelmarmertegels op de grond van het rouwcentrum lijken net water. Aan de overkant ligt opa. “Weet je zeker dat je mee wilt?”, vraagt mijn moeder. “Je kunt opa ook onthouden zoals hij was.” Maar ik wil kijken. Ik heb nog nooit iemand gezien die dood is. In de hoek van de kamer staat een lange houten kist. Op het glas liggen de zonnebloemen van Robert, Marc, Eline en mij en daar schuin onder ligt opa. Ik kijk. Hij lijkt op een slapende pop in het museum van madame Tussaud, maar toch is hij het. Opa, die nog helemaal niet oud genoeg was om al dood te gaan, die minstens honderd zou moeten worden.

Hij geeft me een knipoog: tja Michiel, dat wordt nu dus geen taart van de burgemeester. Ik lig in het grote bed naast oma. We verbeelden dat we een huis aan het bouwen zijn, oma legt de dakpannen en ik metsel. Voor de spiegel maakt opa een dikke witte kerstmannenbaard. Hij zwaait met zijn scheerkwast. “Even ruiken, Michiel?” Ik duik onder de dekens. Pas als ik de kraan hoor lopen durf ik weer tevoorschijn te komen. “Wie wil er vechten met de beer?!”, roept opa. “Niemand...? Dan heeft de beer gewonnen.” Ik hoor hem de trap af kraken. De keukendeur piept. Straks staat er een eitje naast mijn bord. Mijn neefje Marc huilt. Hij durft niet door het smalle gangetje naar de zijkamer. “Ik ben bbang. Daar isj god”, piept hij. “Je hoeft niet bang te zijn.” Ik aai hem over zijn kuikenhaartjes en til hem op mijn rolstoel. “Maar god is bblauw”, snikt Marc, “Machiel, sjulle we heel hard roepen? Dan komt opa wel weer terug.” Er groeit een bobbel in mijn keel. Samen gaan we naar de werkkamer. Het ruikt er naar opa's verf en terpentine. Op de ezel staat het schilderij waar hij aan bezig was, bijna af: een duinpad tussen hoog helmgras met in de verte de zee.

Opa duwt me over het havenhoofd. Hoge golven slaan tegen de basaltblokken. De wind waait schuim op de koppen, maar de Pescator vaart toch uit. Aan dek staan de sportvissers al klaar om de eerste kabeljauw te vangen. Opa en ik kennen alle schepen uit de haven. Van de kistjes waarin de wijn zat die hij kreeg toen hij met pensioen ging, hebben we ze nagebouwd: de vloot van de Norfolkline, de vissersboten van rederij Trip. Ze voeren door de kamer de Noordzee op. Tussen de tuindeuren en de bank was Nederland en achter de glas-in-lood-schuifdeuren, bij de piano, Engeland. Soms botste er een schip tegen de boei bij de tafelpoot en gleed er ineens een vrachtwagentje met een blauw zeil uit het ruim. Maar dat visten we altijd snel weer op. Op zee was ik redder en opa scheepsjongen. En als er land in zicht kwam, werd ik loods en hij de havenmeester. Er komen zoveel mensen langs. Ze geven mij schouderklopjes. “Zo, en dat zijn nu je beruchte neven.” Robert en Marc geven nette handjes uit streepjesmanchetten. Robert is stil. “Sjullen we boksje, opa?” Marc zit tussen opa, Robert en mij achterin de auto. “Nee joh, dat gaat nu niet.” Opa is moe. Marc begint met zijn vuisten tegen opa op te stompen. “Marc pas op, mijn bril. Kijk... een paard.” Opa wijst naar het pad langs de Wetering, maar Marc ziet niets. Hij zet zijn liefste gezicht op. “Doe jij je bril eens af, opa!” Opa schuift zijn bril naar boven. Marcs rechtervuist knalt naar voren. Ik kijk verschrikt. Opa heeft zijn handen voor zijn ogen en schokt met zijn schouders. Huilt hij? Nee, opa lacht. Hij buldert en intussen wrijft hij over de rode plek op zijn neus. In de keuken smeren mijn moeder, vader en tante de broodjes. Oma zit binnen in de kamer. Er slierten stemmen onder de deur door maar ik versta geen woord. Robert, Marc en ik blijven in de gang vol jassen. Ik doe voorzichtig de deur naast de kapstok open. Lekkere kelderluchtjes klimmen de trap op: olie, hout, lijm. En opa. Straks hoor ik hem gewoon zagen en schuren en 'potjandoosie dat moet mij weer overkomen' roepen als hij op zijn vingers slaat. En dan kijkt hij om het hoekje en knipoogt een Mars uit zijn zak. “Smokkelwaar, niet tegen je vader zeggen...”