Minachting voor de menselijke soort; Geerten Meijsing op zoek naar de kern van Plato's denken

Geerten Meijsing: De ongeschreven leer. Uitg. De Arbeiderspers, 499 blz. Prijs ƒ 49,90.

Er is iets onnaspeurlijks in het werk van Geerten Meijsing dat bij recensenten keer op keer acute ergernis weet op te wekken. Of hij een gekunsteld pronkboek schrijft als Erwin ('72), een tuttige pastiche als Een meisjesleven ('82) of een sleutelroman als De grachtengordel ('92), het maakt niet uit, met het geschrevene krijgt in de regel ook meteen de schrijver een recensie. Arrogant is hij, zelfingenomen en pedant. Een kwast.

Met dit stukje, laat ik het meteen maar zeggen, sluit ik aan in het koor. De ongeschreven leer, Meijsings nieuwste bod, is een roman in 499 bladzijden en 499 voetnoten, de vrucht van dertig jaar studeren en drie jaar schrijven, al met al een levenswerk, blijkt bij mij vooral een ongewone irritatie op te roepen van de eerste tot de laatste pagina.

Het begint al bij het eerste hoofdstuk, dat geheel bestaat uit flarden. Twee van Meijsings vaste bijfiguren, de afstandelijke Kanger en het androgyne meisje Zelda, schudden om en om hun losse gedachten uit. Ze hebben het over een ongeschreven leer en een magisch vierkant in het werk van Albrecht Dürer, over oordelen die men moet opschorten en androgynie, om af te ronden met een paar citaten van en over Plato. 'Stellingen en onderstellingen', staat erboven, en er is geen touw aan vast te knopen. Meijsing maakt zijn lezer niet het hof, zoals de regel wil, hij doet iets voor zichzelf en laat je toekijken.

Dan, hoofdstuk 2, begint het verhaal. De ongeschreven leer blijkt aan te sturen op een zoektocht naar de kern van Plato's denken, de eerste en laatste beginselen, die de wijsgeer volgens onbevestigde geruchten nooit aan het papier heeft willen toevertrouwen. Dat betekent een omstandige leergang Plato, van Ideeënleer tot Pythagorische getallenstelsels, om ten slotte op te kunnen klimmen tot de ijlste hoogten van het denken. Maar terwijl je tot je door laat dringen dat de immanente dimensies van het Zijn, overeenkomstig de vroege en midden-Plato, die het Ene nog niet als oorzaak boven de Ideeën plaatste, allereerst in fundamentalontogische richting gezocht dienen te worden, blijft de vraag een beetje wie dat iets kan schelen.

Het gekke is dat Kanger en Zelda, die ons in de zoektocht voorgaan, daar geen enkel antwoord op hebben. Kanger, werkzaam op een Filosofisch Instituut, reist achter een hoogleraar aan die bij een eerdere zoektocht naar de ongeschreven Plato spoorloos is geraakt en mogelijk door mededingers doodgemaakt. Zelda volgt de sporen van haar grootvader, een Plato-hobbyist die ook wat duister aan zijn einde is gekomen, en vervolgens van een oudoom, die al net zo diep in Plato is. Maar geen van beiden lijkt het daarbij om die veelgezochte leer te gaan.

Het gaat ze eigenlijk nergens om. Kanger is een 'man zonder eigenschappen' die zichzelf kan zien als een ander, Zelda is gewend in de derde persoon over zichzelf te praten. Lege zielen zijn het, vreemden in hun eigen leven, met abstracties in het hoofd en verder niets. Als Zelda zich de vraag stelt 'of Zelda moet trouwen', net als al haar vragen puur theoretisch, gaat ze voor het antwoord niet te rade bij zichzelf maar bij, godbetert, Aristoteles en Plato. Zelfs persoonlijke motieven zoekt ze buiten haar persoon.

Door die bizarre distantie raakt De ongeschreven leer geheel van deze aarde. Kanger redeneert en Zelda deduceert, maar niemand legt je uit waarom. Je reist met hen het hele Avondland door, komt in Tübingen en Syracuse en belandt in toplessbars en ziekenhuizen, vindt daar lieden die omwille van de ongeschreven Plato comateus geslagen zijn, maar niemand die je ondertussen duidelijk maakt wat er aan die Plato zo de moeite waard zou zijn. Terwijl er wonderwat gebeurt, krijgt niets met iets te maken - en al helemaal niet met iets buiten het boek, met de wereld, met jezelf. De dingen trekken aan je oog voorbij als televisiebeelden in een buitenlands hotel.

Dat kon wel eens te maken hebben met een welbewuste kunstopvatting. In zijn Erwin-tijd verdedigde Meijsing, toen nog Joyce & Co, de kunst als een 'ontkenning van het leven'. Waar de werkelijkheid lelijk, alledaags, spontaan en dom was, moest de kunst betoverend, onalledaags, onecht en geniaal zijn, een retorische constructie naar klassieke vormprincipes die zich in zijn absolute schoonheid voor de wereld afsloot.

Het vertrouwen in die absolute schoonheid bleek hij in Veranderlijk en wisselvallig kwijtgeraakt te zijn. De held van die roman, een onmiskenbaar zelfportret, ziet hoe de verkoopcijfers van zijn werk hem ongelijk hebben gegeven en valt terug in de verfoeilijke werkelijkheid. Hij wordt apathisch en zwartgallig en ontwikkelt een uitdrukkelijke minachting voor de menselijke soort - om aan het slot, ook hier zonder begrijpelijk motief, toch plotseling weer uit zijn as te herrijzen. Hij begint aan een nieuw boek.

Wat dat voor wederopstanding moet zijn geweest, laat zich na acht jaar uit De ongeschreven leer nog destilleren. Aan het eind van de roman komt hij met de suggestie dat de ongeschreven leer wellicht alleen maar ongeschreven is gebleven omdat Plato inzag dat ze, vastgepind in schrijftaal, niet zo heel veel meer onthullen zou dan dat het Ene tegelijk het Goede was en andersom, een leus die in zijn simpelheid het allerhoogste te banaal voor woorden maakte. Meijsing speelt kortom nog altijd met antieke vormbeginselen en absolute waarden, maar dat wil niet zeggen dat hij er nog altijd in gelooft. De lezer is gefopt.

Wie dat reusachtig geestig vindt, als plot van 499 pagina's huiswerkproza, kan ik De ongeschreven leer van harte aanbevelen, maar bij mij bleef een onthutsend beeld van leegte achter. Net als bij Veranderlijk en wisselvallig is het enige wat in je hoofd blijft zoemen Meijsings weerzin tegen het bestaan. De aanhangers van Freud of Baghwan, socialisten, voetballiefhebbers, stadiongangers, kruidenierszoons van smalschedelig ras, om maar te zwijgen over jan en alleman vandaag de dag die uit zijn autoraam muziek laat schallen, niemand die in de roman aan Meijsings oog ontsnapt. Hij minacht ons, zijn medeburgers, en misschien is dat ook wat je voelt in zijn would be filosofische distantie: hij minacht zijn lezers.