Laat nederigheid nooit uw tong verlammen; Rauwe vertaling van Geoffrey Chaucers Canterbury Tales

In Geoffrey Chaucers 'Canterbury Tales', waarvan onlangs een nieuwe Nederlandse vertaling verscheen, gaat een roerig gezelschap op pelgrimstocht. Om de tijd te doden vertellen ze verhalen en steken ze de draak met elkaar. Zelfs de schrijver is voor hun spot niet veilig: als Chaucer opduikt om een verhaal te vertellen wordt hij onmiddellijk door zijn personages weggehoond.

Geoffrey Chaucer: De Canterbury-verhalen. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Ernst van Altena. Uitg. Ambo, ƒ 99.-

Als de bedelbroeder, een van de pelgrims in de Canterbury Tales, zijn verhaal heeft verteld over een deurwaarder die een oud vrouwtje afperst en vervolgens door de duivel meegenomen wordt naar de hel, eist een andere pelgrim, die toevallig deurwaarder is, verontwaardigd het woord.

Zijn wraak is zoet: hij haalt zijn gram met een verhaal over een bedelbroeder die met vrome praatjes de mensen geld aftroggelt. Tot een van diens weldoeners, die ziek is, zijn gebedel zat wordt. Hij belooft hem een grote gift voor zijn klooster, maar laat hem eerst zweren dat hij die in twaalf gelijke delen onder zijn medebroeders zal verdelen. Dan mag de bedelbroeder het geschenk, goed weggeborgen in zijn bed, zelf tevoorschijn halen:En toen de zieke die hand voelde glijden Vlak langs zijn aarsgat, dacht hij: ' 'k heb je beet!' Hij schonk de broeder 'n knetterende scheet.Het verhaal is daarmee nog niet afgelopen, want als de woedende bedelbroeder zijn beklag gaat doen bij de burgemeester, toont deze zich vooral geobsedeerd door de vraag hoe dit geschenk in twaalf gelijke delen is te verdelen. En zelfs voor dit winderige vraagstuk blijkt een even vernuftige als blasfemische oplossing te bestaan.

Dr. Thomas Gascoigne, een geestelijke uit Oxford, vertelde in zijn Liber Veritatum dat Geoffrey Chaucer op zijn sterfbed gekweld werd door wroeging over zijn wereldse geschriften. In een slotwoord bij zijn Canterbury Tales vraagt de auteur inderdaad vergiffenis voor zijn 'vertalingen en geschriften over aardse ijdelheden', waaronder de Canterbury Tales, 'voor zover die weerslag zijn van zonden'.

Maar de authenticiteit van dat slotwoord werd door A.J. Barnouw, die in 1930 een vertaling verzorgde, betwijfeld. Hij vermoedde dat het door een latere afschrijver van het manuscript is toegevoegd. Toch nam hij het in zijn vertaling op, evenals Ernst van Altena, wiens nieuwe vertaling onlangs bij Ambo is verschenen.

Als Chaucer voor zijn vrijmoedige verhalen moet branden in de hel, dan is het treurig gesteld met het literaire leven in de hemel. Want het is wel zeker dat zijn Canterbury Tales een stuk saaier geweest zouden zijn zonder de kluchtige boerden en sproken die hem mogelijk deden vrezen voor zijn zieleheil. Er staan ook stichtelijke verhalen in over martelaars en heiligen, maar juist die zullen de wenkbrauwen tegenwoordig eerder doen fronsen: bijvoorbeeld vanwege het virulente antisemitisme dat spreekt uit het verhaal van de abdis, waarin boosaardige joden een onschuldig jongetje vermoorden om geen andere reden dan dat hij een hymne ter ere van de maagd Maria zingt.

Spotternijen

Maar het zou even onzinnig zijn Chaucer met terugwerkende kracht te veroordelen om dat verhaal als hem vanwege zijn scabreuze spotternijen te laten roosteren in de hel. In het een zowel als het ander herkennen we nu typerende trekjes van het laatmiddeleeuwse leven dat Chaucer zo sprankelend weergeeft in zijn Canterbury Tales: een leven dat in die 'waanzinnige' veertiende eeuw enerzijds getekend werd door de angst voor hel en verdoemenis (het was de eeuw van de grote pestepidemieën), en anderzijds door een sterke zinnelijkheid en levenslust.

Het aantrekkelijke van de Canterbury Tales schuilt voor de hedendaagse lezer vooral in het speelse en kleurrijke realisme waarmee Chaucer zijn vertellende personages tekent: dat doet hij niet alleen in de proloog, waarin hij ze een voor een voorstelt, maar ook indirect in de zeer uiteenlopende verhalen die ze vertellen, en af en toe in de vinnige en vermakelijke woordenwisselingen waarmee ze elkaars verhalen tussendoor van commentaar voorzien.

Doordat hij, anders dan zijn oudere tijdgenoot Boccaccio, in diens Decamerone, gekozen heeft voor een gezelschap vertellers dat een soort dwarsdoorsnede vormt van de veertiende-eeuwse Engelse samenleving, krijgen we een heel geschakeerd beeld van het leven in zijn tijd. Wat ook weerspiegeld wordt in het brede scala van literaire genres dat aan bod komt: van hoofse ridderromances via kluchtige boerden tot en met heiligenlevens en boetpredikaties.

Terwijl hij in de keuze van deze traditionele literaire vormen middeleeuwser is dan Boccaccio doet hij in de speelse opzet van het raam voor zijn vertellingen weer moderner aan dan zijn Italiaanse collega: in de herberg De Tabberd in Southwark heeft zich een bont gezelschap verzameld van mensen die op bedevaart gaan naar Canterbury, waar zich het graf bevindt van de heilige Thomas à Becket. De waard, die ook meegaat, stelt voor dat ze onderweg de tijd zullen doden door om beurten een verhaal te vertellen, waarbij hij zichzelf opwerpt als ceremoniemeester en scheidsrechter.

Het was zelfs de waard zijn bedoeling dat ze elk verschillende verhalen zouden vertellen, maar zover is het nooit gekomen. Het is bij één verhaal per persoon gebleven, en zelfs die zijn niet allemaal voltooid. Het verhaal van de kok, bijvoorbeeld, breekt na zijn inleiding al meteen af, en ook het verhaal van de schildknaap houdt abrupt op. Ook de juiste volgorde van het geheel staat niet vast omdat die in de diverse overgeleverde handschriften verschilt. Maar zelfs in deze onvoltooide staat is het een van de grote monumenten van de Engelse literatuur.

Hofkringen

Het roerige gezelschap - met onder andere een ridder, een molenaar, een koopman, een deurwaarder, een monnik, een advocaat, een abdis en een aflaatkramer - staat borg voor veel afwisseling en plezier. Chaucer, die een zeer bereisd en ontwikkeld man was, kende zijn pappenheimers. Hij bewoog zich in Engelse hofkringen, maar hij kende ook het koopmansmilieu waaruit hij voortkwam, en het leven op straat en in de kroegen. In zijn Canterbury Tales is hij erin geslaagd heel uiteenlopende registers van de Engelse taal te bespelen: schunnigheid en vroomheid, hoofsheid en grofheid, verfijnde beschrijvingskunst en platte grappen, ernstige vermaningen, erudiete verwijzingen en vrolijke scheldpartijen - dat alles is hier naast elkaar te vinden.

Nadat de ridder als eerste in hoofse stijl zijn ridderromance heeft verteld, volgt bij wijze van contrast het boertige verhaal van de dronken molenaar - een platte klucht over een timmerman die bedrogen wordt door zijn kostganger. De rentmeester, die ooit timmerman is geweest, voelt zich beledigd en betaalt daarop de molenaar met gelijke munt terug: zijn verhaal over een molenaar die zijn klanten oplicht en uiteindelijk zelf bedrogen wordt door twee studenten is nog een graadje hilarischer en schunniger.

Dan, na het korte fragment van de kok, volgt de advocaat met het verhaal van Constance, dat weer heel anders is getoonzet. Het is een sentimenteel poëtisch verhaal over de tegenspoed van een christendochter die in handen van boosaardige heidenen valt. Na eindeloze omzwervingen over zee, waarbij ze aan talloze gevaren ontsnapt, wordt ze onder het toeziend oog van de Goddelijke Voorzienigheid uiteindelijk met haar onschuldige echtgenoot herenigd.

En na elk verhaal geeft de vrolijke waard Harry Bailly (die naar het schijnt ook werkelijk herbergier in Southwark was) zijn commentaar, sust zo nodig de gemoederen en nodigt een volgende verteller uit.

Lang niet alle verhalen komen uit Chaucers eigen koker: naar goed middeleeuws gebruik herdicht hij meestal bestaande en populaire vertellingen. Zo was het verhaal over Constance in de middeleeuwen wijdverbreid, en ontleende hij verder het nodige aan Ovidius, aan Boccaccio en anderen. Ook het larmoyante verhaal over de lijdzame Griselda, die zich de grootste vernederingen laat welgevallen om haar trouw aan haar man te bewijzen, bestond in vele versies (zoals die van Petrarca, die hier is gebruikt). Opmerkelijk is wel dat Chaucer er op persoonlijke titel een 'envooi' aan toevoegt, waarin hij de vrouwen voorhoudt, vooral geen voorbeeld te nemen aan Griselda: O edele vrouwen, zo kuis opgevoed laat nederigheid nooit uw tong verlammen Bied nooit een klerk de kans om kort en goed U in zo'n dwaas vertelsel af te kammen. Wordt nooit Griselda's, ziekelijk gedwee (-) Vrees nooit uw man en kniel ook niet voor hem Want al draagt hij een harnas om zijn lijf De pijlen van uw aangescherpte stem Vliegen daar dwars doorheen, da's buiten kijf.De waard daarentegen, die regelmatig laat merken dat hij heel wat met zijn vrouw te stellen heeft, ziet wel wat in de lijdzame onderdanigheid van Griselda: En onze waard vloekte: “Wel godverloren Een heel vat bier gaf 'k van mijn goede geld Wanneer mijn vrouw 't verhaal had kunnen horen!”De relatie tussen mannen en vrouwen, met alle complicaties van trouw en ontrouw, kuisheid, begeerte, jaloezie en overspel, is een hoofdthema in Chauchers vertellingen. Het verhaal van de vrouw uit Bath, feministe avant la lettre, windt er geen doekjes om. Na een pittige proloog over de vijf mannen die ze versleten heeft, volgt haar verhaal dat draait om het juiste antwoord op de vraag wat alle vrouwen het meest begeren. Dat antwoord blijkt te zijn dat elke vrouw 'de volle heerschappij' wil over haar echtgenoot en haar minnaar.

Hebzucht

Zo weerspiegelen de vertellingen vaak de verschillende opvattingen van de pelgrims, wat soms tot heftig krakeel leidt. Dat maakt deze raamvertelling tot een levendig en geestig geheel. De aflaatkramer, een oplichter van het zuiverste water, presteert het om na zijn vrome parabel over dodelijke hebzucht nog even luidkeels zijn aflaathandel en zijn relieken aan te prijzen. Maar die poging om zijn medereizigers geld uit de zakken te kloppen komt hem op een ongenadige reprimande van de waard te staan.

Geestig is ook de manier waarop Chaucer zichzelf in zijn raamvertelling presenteert: ergens midden in het boek wordt hijzelf opeens door de waard aangesproken en uitgenodigd, zijn verhaal te vertellen. Zo schaart hij zich onder de overige vertellers, alsof hij slechts een van de pelgrims is die aan het woord komen. Hij komt op de proppen met een onzinnig verhaal over Heer Topaas, in koddig huppelende verzen. Maar als hij goed en wel op gang is, wordt hij door de waard, die het niet langer kan aanhoren, onderbroken: 'Bij God,' zei hij, 'dit houdt een mens niet vol Voor dat stomme gerijm geef ik geen drol! En je verspilt ermee slechts onze tijd Nee heer, je recht op rijmen ben je kwijt.'Helaas: in plaats van die vermakelijke parodie moeten we het dan doen met een prozaverhaal dat eerder een langdradige verzameling wijze spreuken is dan een verhaal. Dit 'verhaal van Melibeüs' en zijn vrouw Prudentia is een rechtstreekse vertaling van een Frans origineel. A.J. Barnouw, de vorige vertaler van de Canterbury Tales, liet het maar weg, net als de lange preek van de pastoor waarmee de raamvertelling zeer stichtelijk besluit. Dat beide prozastukken het leesgenot niet bepaald verhogen is zeker waar, maar ze horen er wel bij en daarom heeft Van Altena ze terecht vertaald.

Gelukkig blijft er nog genoeg te beleven over: een serie vignetten over de grillige wegen van de godin fortuna, geïllustreerd aan de levens van beroemde en machtige mannen; een dierfabel uit de Reynaerttraditie over de haan Cantecleer en de hen Pertelot (waarbij de haan uiteindelijk de vos met zijn eigen wapens verslaat); een versie van het leven van de heilige Cecilia, en een verhaal over een alchemist die een oplichter blijkt te zijn.

Wie in één werk zo ongeveer alle literaire genres van de late middeleeuwen kunstig gecombineerd wil zien, kan nergens beter terecht dan in de Canterbury Tales.

In zijn verantwoording noemt vertaler Ernst van Altena, behalve de onvolledigheid ook het gebruik van een 'artificieel soort 'Oudnederlands' ' als een minpunt van Barnouws eerdere vertaling. Niet ten onrechte: zijn verzen wemelen inderdaad van in onbruik geraakte woorden en zinswendingen, al moet ook gezegd dat zijn vertaling in veel passages toch nog verrassend fris is gebleven.

Het is geen sinecure om zulke oude teksten te vertalen (niet alleen in een andere taal maar ook nog eens in de taal van deze tijd) en daarbij toch het eigene en het oude zoveel mogelijk intact te laten. Van Altena heeft geen kunstmatig Oudnederlands gebruikt, en zijn vertaling is inderdaad losser en ongedwongener dan die van Barnouw. Dat ze af en toe lijdt aan rijmdwang en al te opzichtige stoplappen, dat kunnen we een vertaler die zulke marathonberijmingen onderneemt nauwelijks kwalijk nemen: Chaucer zelf is daaraan ongetwijfeld ook niet altijd ontkomen.

Maar soms lijkt Van Altena toch iets te gemakzuchtig. Zo keert hij herhaaldelijk staande uitdrukkingen als 'pracht en praal', 'lik op stuk' of 'op stel en sprong' binnenstebuiten als hem dat een geschikt rijmwoord oplevert. In het eerste geval kan dat zonder bezwaar, maar als ik meer dan eens 'stuk op lik' lees, of 'op sprong en stel', begint mij dat toch te irriteren.

Dat neemt niet weg dat Van Altena met deze vertaling een niet geringe prestatie heeft geleverd. Hij heeft De Canterbury-verhalen toegankelijker en leesbaarder gemaakt dan ze waren in Barnouws vertaling. Zijn taal is soepeler en, waar nodig, rauwer en kleurrijker dan die van zijn voorganger. Alleen is het, na de pittoreske titel van Barnouws vertaling (De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg) weer even wennen aan de soberheid van de nieuwe titel.

De Proloog tot de Vertelling van de Koopman

Geklaag, gelamenteer, en andere zorgen Daar weet ik van, te avond en te morgen,' Merkte de koopman op, 'en menig aer Getrouwd gezel, wil 'k wedden, heeft het zwaar. 'k Weet al te goed wat ik ten huwlijk kreeg. Ik heb een wijf, een echte helleveeg. Want schoon de droes haar maakte tot zijn liefje Ze wierd hem baas, dat geef ik je op een briefje. Wat zou 'k van haar kwaadaardigheid een reeks Bijzonderheên vertellen? 't Is een feeks. Er is een groot, een hemelsbreed verschil Tussen Griselde's onderworpen wil En de overdwaalse wreedheid van mijn nijdas. Zo waar 'k moog zalig worden, als ik vrij was Liet ik me niet weer vangen in het net. Voor ons, getrouwde man, in stee van pret Zorg en verdriet! Wie wil neem zelf de proef En zie, bij Thomas Indus, of ik snoef. Ik zeg dit van de meesten, niet van allen. God wake dat het zo kwam uit te vallen.VERTALING: A.J. BARNOUW, 1930 De proloog van de koopman

'Van huilen, klagen, schelden, dat soort zorgen Weet ik genoeg, van avondstond tot morgen,' Zo sprak de koopman, 'en naar mijn idee Voelen al wie getrouwd zijn daarin mee. In elk geval geldt dat voorwaar mijn huwelijk: De vrouw die ik getrouwd heb is zo gruwelijk Dat als ze met de duivel werd verbonden Zij die nog overtreffen zou in zonden. Wat kan ik u vertellen van haar kwaad? In álles wat ze doet, schuilt euveldaad! Hoe groot, hoe breed 't verschil toch in bestaan Tussen Griselda's lijdzaam ondergaan En mijn vrouws wreedheid; als ik ooit een keer Van haar verlost wordt, dan trouw ik nooit weer Nee, door die strop laat ik me nooit meer worgen Want een getrouwd man leeft toch steeds in zorgen Dat geldt - apostel Thomas - voor de meesten Vrouwen gedragen zich te vaak als beesten Ik zeg niet dat het altijd zo moet gaan God geve sommigen een goed bestaan!VERTALING: ERNST VAN ALTENA, 1995