Japanse thee met zout; Een jaar zonder spiegels in kamp Si Rengo Rengo

“Als het zwaar geregend had, en het kon op Si Rengo Rengo diluviaal regenen, dan was het pad naar 'de tram' bedekt met een dikke laag rode modder met de consistentie van boter, je voelde hoe het bij elke stap tussen je tenen omhoog kwam, en je moest de grootste voorzichtigheid betrachten om niet onderuit te gaan.” Rudy Kousbroek over het laatste jaar dat hij in Japanse internering doorbracht in Nederlands-Indië.

Het is niet te ontkennen dat deze herinneringen een grotere rijkdom aan details over de internaatstijd bevatten dan over de internering. Maar het feit dat de internering achteraf is te zien als een drama betekent niet dat het leven van dag tot dag in het kamp ook dramatisch was; het was vooral een periode van monotonie en mentale leegte.

En dan is er de omstandigheid die ik in alle eerlijkheid moet herhalen, hoewel ik weet dat het de mensen razend maakt, namelijk dat mijn verblijf op de Nederlandse kostscholen op de Ooskust mij als het ware gevaccineerd had voor de ellende van de internering. Toch is dat de simpele waarheid. Noem maar op: aan beperkte bewegingsvrijheid op een afgesloten terrein was ik gewend. Aan strenge regels, vroeg naar bed, corvee doen, aan onbegrijpelijke verbodsbepalingen, arbitraire opsluiting en geslagen worden was ik gewend. En misschien het belangrijkste: ik was er ook aan gewend dat verontwaardiging niet hielp (net als in China, waar de beklaagde zijn zaak verergert als hij volhoudt dat hij onschuldig is). Daar legde je je bij neer en sterker nog, je dacht dat 't zo hoorde. Dat was om zo te zeggen de geestelijke bagage waarmee ik de internering in ging.

Misschien dat het ook iets te maken heeft met 'Indisch fatalisme': zich eerder neerleggen bij het onvermijdelijke ('nasib'); maar op den duur raakte toch bij iedereen de weerstand afgestompt door sleur en ondervoeding. De internering was een periode van uitzichtloosheid, vooral het jaar in Si Rengo Rengo ervaar ik gevoelsmatig als een leeg fort, je zit er in verschanst maar er is haast niets over te vertellen. Ik vind het ook moeilijk er over te praten, het beschaamt me.

Je zou kunnen zeggen dat het in zowel symbolische als letterlijke betekenis voor mij een jaar was zonder spiegels. Op Soengei Sengkol had mijn vader nog een scheerspiegel, maar tijdens het transport is die, ja wat? zoekgeraakt, verloren, gebroken, achtergelaten? - om de bagage lichter te maken hebben we, dat weet ik nog wel, een aantal dingen afgedankt, onder meer een fles olie, een tang en een hamer, kostbare bezittingen. Die hamer en tang werden later opgeraapt door iemand die na ons kwam, en die ze later niet eens aan ons wilde lenen, zeker bang dat we 't niet terug zouden geven. Toen ik later eens las dat apen na de ontvangst van een vrucht vaak agressief reageren omdat ze denken dat je hem die weer af wil pakken, moest ik daaraan denken. Zoiets is nu een voorbeeld van dingen waar ik niet graag over spreek, het roept een gevoel van gêne bij mij op. Vandaar misschien ook dat er na de oorlog nooit meer over gepraat werd, ik heb het met mijn vader vrijwel nooit meer over de kamptijd gehad.

Mijn vader schoor zich dus meestal zonder spiegel. Soms leende hij er een van onze buurman Si Boelé; maar niet vaak, omdat deze bang was dat de spiegel zou breken, en dat betekende 'een sterfgeval in huis'. Als onder 'huis' onze hong moet worden verstaan dan moeten daar heel wat spiegels zijn gebroken, vooral in de laatste maanden voor de Japanse capitulatie.

Ik was in mijn zestiende jaar en schoor mij nog niet; en keek dus ook niet in een spiegel. Als ik er aan terugdenk is het of ik letterlijk niet wist hoe ik er uitzag, alsof ik eigenlijk niet bestond. Ik las veel en dwong mijzelf niet aan eten te denken. Dat was ook een afspraak met mijn vader, dat we absoluut nooit over eten zouden praten. Niet over eten en niet over ziektes. Als ik de dagboeken van ex-kampgenoten lees valt mij op dat die bijna uitsluitend over eten gaan, over de hoeveelheden die het kamp binnenkwamen, hoeveel er werd uitgereikt en wat dies meer zij, en over lichamelijk welzijn.

Mijn eigen opschrijfboek, een dagboek was het in de strikte betekenis niet, is helaas zoekgeraakt. Niet tijdens, maar ná de oorlog, het is nog wel mee naar Holland gekomen; mijn vader heeft het geloof ik in de jaren vijftig aan iemand uitgeleend; ik zou er een lief ding voor over hebben het terug te krijgen. Er stonden sinus- en logarithmentafels in die ik zelf had berekend - ik, die zo de pest had aan rekenen! Maar het diende juist om omslachtige berekeningen te bekorten. Zo is het vaak de luiheid, die je aan het werk zet. Ik herinner me dat er ook een beschrijving in stond van het vangen van een enorme schildpad in de Bila-rivier, achter ons kamp. En veel zogenaamd filosofisch proza, sterk beïnvloed door Aldous Huxley, de Nederlandse vertaling van Point Counter Point, geheten, als ik me niet vergis, De wateren werden stil; en, ik vermeld het met schaamte, Anker Larsen en Axel Munthe. Ik weet nog een slotregel die ik geplagieerd had, omdat ik die toen buitengewoon diepzinnig vond, luidend: 'Ik was dood en ik wist het niet.'

Dat was dus wat ik deed wanneer ik geen corvee had: ik lag plat op mijn tilam en ik schreef of las of sprak over het gelezene met mijn vader. Ik herinner me drie soorten corvee's die ik heb moeten doen: eerst lorries ophalen bij de rivier en terugbrengen, heel griezelig als ze hoog waren opgeladen; daarna werken in de tjangkolploeg: het omspitten, met een tjangkol, een houweelvormige spade, van een stuk grond waar lalang (tijgergras) op groeide, onder toezicht van soekaréla's (Indonesische vrijwilligers in het Japanse leger), die er hardhandig voor zorgden dat er niet geslabakt werd. De hele dag, zonder eten, met alleen twee onderbrekingen voor thee, Japanse thee waar we zout in deden om er smaak aan te geven, het smaakte een beetje naar bouillon. Het was heel zwaar werk en na een maand of drie, vier ben ik een paar keer op het terrein van mijn stokje gegaan. Mijn vader moet erg zijn geschrokken toen ik het kamp werd binnengedragen en hij is er toen op een of andere manier in geslaagd om voor ons tweeën ander werk te organiseren. En wat voor werk: sigaretten draaien voor de Japanse bewakers.

Dat voorrecht dankten we aan het bezit van een sigarettenmachine: wat een geluk dat we die niet weggegooid hadden tijdens het transport. Al dergelijke machines moeten de overlevingskansen van hun eigenaars hebben verhoogd: het beste was een vleesmolen, waar mensen met buikklachten (d.w.z. iedereen) de onverteerbare harde maïs in maalden, waarvoor als betaling een lepel van het maalsel werd achtergehouden. Dan was er de Gilettemesjes-slijpmachine; mijn vader ging eens in de paar weken, in ruil voor een lepel pap, zijn scheermesjes slijpen op de machine van de heer T. in hong vier. Het was een ingenieus apparaat, zoals ik daarna nooit meer in mijn leven heb gezien, een product van de zuinigheids-economie van voor de oorlog.

Ook onze sigarettenroller, die we nog in Soengei Sengkol hadden overgenomen van iemand die trachtte met roken te stoppen (iets dat maar heel weinig geïnterneerden probeerden, alleen al omdat roken helpt tegen honger), was een professionele machine, van rood hardhout en bijna zo groot als een cigarenkistje, met een soort sleetje en allerlei loze ruimtes waar je tabak in kon verstoppen. Iedere ochtend gingen we, voorzien van die wondermachine plus een dundrukbijbeltje, het kamp uit naar het huisje van de Japanse wachtcommandant. Op het voorgallerijtje had diens huishoudster, een opvallend mooi Javaans meisje, al een kommetje kleefrijst klaargezet: dat was om de sigaretten mee te plakken, maar ze deed hem altijd extra vol en dan aten we het grootste deel ervan op; je hebt namelijk maar heel weinig nodig om mee te lijmen, minder dan één platgewalste korrel per sigaret. Het papier kwam uit het bijbeltje, prima dun rijstpapier dat mooi gelijkmatig brandde met witte as. De tabak, grote lempengs goudbruine Pajakoembo uit de Padangse bovenlanden, maakten we flink vochtig, niet alleen rolde dat beter, maar ook werd zo het gewicht gecompenseerd van de tabak die we ten eigen bate aan de Japanse consumptie onttrokken.

Het is niet onmogelijk dat we daar ons leven aan te danken hebben. We vulden de loze ruimtes in de machine met tabak en brachten die zo het kamp in. De sigaretten die we er van maakten waren in het kamp goud waard; er was een marktprijs voor sigaretten, afkomstig van smokkel, ruil tegen kleren e.d. en die prijs was hoog, een paar gulden per sigaret als ik me goed herinner. Er waren mensen die hun hele dagrantsoen over hadden voor sigaretten.

Toch kon ik het geld niet bij elkaar krijgen voor een Dagénan-pil toen mijn vader dysenterie kreeg. Voor Dagénan, een van de eerste, net voor de oorlog verschenen sulfa's, vroeg men toen al iets van achthonderd gulden per pil, later geloof ik nog meer. Dat hadden we eenvoudig niet. Ik ben nog bij de eigenaar van die pillen gaan soebatten met beloftes van 'betaling na de oorlog' (dat was een gangbare formule) en het argument dat hij al dat geld in het kamp toch nergens aan kon besteden. En inderdaad: wat had hij er aan? Tienduizenden moet hij hebben binnengehaald. Maar hij was onvermurwbaar. 'Anders zijn ze zo op en als ik dan zelf dysenterie krijg, wat dan?' Naar het schijnt had hij de fles met pillen op een geheime plaats verstopt, en dat onthult iets dat voor die man een nachtmerrie moet zijn geweest: sommigen, onder wie misschien ook ik, zouden ze eventueel met geweld hebben bemachtigd.

Of ik zelf dysenterie gehad heb - dat mag vreemd klinken, dat weet ik niet meer. Het moet wel. Mijn vader in elk geval twee keer en dat weet ik nog heel goed, want ik was buiten mijzelf van angst. Dat hij niet dood is gegaan is misschien te danken aan het feit dat ik hem veel Japanse thee met zout liet drinken, net als we op het tjangkolveld deden, want ik had op grond van eigen ervaringen de indruk gekregen dat dat hielp tegen diarrhee. Gewone diarrhee, zoals je in het kamp vaak had, niet dysenterie. Of je dysenterie had werd door de artsen bepaald, dan moest je een klapperdop met ontlasting brengen, en dan kreeg je later het vonnis te horen. Soms werd je meteen in de ziekenbarak opgenomen, maar soms ook niet en dan was het een marteling om zo'n twintig, dertig keer per dag of soms nog vaker naar de latrines te moeten. Ik heb een vage herinnering hoe ik daar maar bleef wachten op de volgende kramp, dat zal dus toch wel dysenterie geweest zijn.

Wij woonden wat dat betreft ongunstig, in de eerste plaats omdat we op de bovenbrits sliepen en dus een laddertje op en af moesten, maar ook omdat het zo ver lopen was naar de 'tram', zoals de latrines werden genoemd. De neiging was natuurlijk groot om maar een eindje de oebi-aanplant in te lopen en het daar te doen, maar daar werd scherp op gelet, en terecht, vanwege het besmettingsgevaar. Ik heb mijn vader meermalen op dat traject op mijn rug heen en weer gedragen, ook in het holst van de nacht, 'net als Eneas', zoals hij zei. Pas jaren later kwam ik er achter waar dat op sloeg: Eneas die zijn vader op zijn rug neemt als hij uit Troje vlucht: 'Ergo age, care pater, cervici imponere nostrae;/ ipse subibo umeris nec me labor iste gravabit' - vooruit dan, lieve vader, ga op mijn nek zitten; mijn schouders zullen je dragen en de last zal mij niet zwaar vallen.

Dat laatste was niet helemaal waar. Als het zwaar geregend had, en het kon op Si Rengo Rengo diluviaal regenen, dan was het pad naar 'de tram' bedekt met een dikke laag rode modder met de consistentie van boter, je voelde hoe het bij elke stap tussen je tenen omhoog kwam, en je moest de grootste voorzichtigheid betrachten om niet onderuit te gaan. En dan kwam je met die modderpoten in de hong terug; water was er niet, je kon je niet wassen, het enige wat je kon doen was met een mes of een stokje de modder zo goed en zo kwaad mogelijk van je voeten schrapen - en dan zo weer onder de klamboe.

Als je dysenterie kreeg vermagerde je zeer snel, in korte tijd zag je er uit als een skelet. Dat is te zien op twee van de foto's gemaakt door J.P.J. Kosak, die gedurende de hele internering een fototoestel verborgen had weten te houden en daarmee zodra de Japanse capitulatie bekend werd (24 augustus) foto's heeft gemaakt. Dat zijn verreweg de meest gereproduceerde foto's van ons kamp geworden en zij geven tot op zekere hoogte een vertekend beeld van de conditie waarin wij waren, zoals duidelijk wordt wanneer je andere op hetzelfde tijdstip genomen foto's bekijkt (bijvoorbeeld die van de artsen met de klapperdoppen).

Iets dat ook in slechte staat verkeerde was overigens het kamp zelf en vlak na de capitulatie is nog een hong omgewaaid. Daarmee gebeurde - gelukkig overdag - iets waar we al lang voor in angst zaten als het stormde. Ook hiervoor geldt dat het niet veel langer had moeten duren. Al veel eerder was een van de hongs begonnen scheef te zakken. De Japanners werden er bij geroepen en die begonnen met iedereen die in de buurt was een pak ransel te geven. Ziedaar nu een voorbeeld van de bescherming die ik aan mijn kostschooltijd dankte - ik had het kunnen voorspellen: wanneer je mensen die macht over je hebben confronteert met een beschamende consequentie van hun eigen handelingen is hun onmiddellijke reactie er op te timmeren. Dan geven ze jou de schuld, dat is helemaal niet specifiek Japans. Veel beter er niemand bij te halen. Zodra ik H. en B. (onze eigen kampleiders) met de Japanners aan zag komen maakte ik me uit de voeten. Uiteraard moesten we toch zelf zorgen dat het weer goed kwam, onder bedreiging met strenge straffen als er iets mis zou gaan.

Toch blijkt er op een paradoxale manier ook uit dat de Japanners beaamden een zekere verantwoordelijkheid voor ons te hebben. Ze hadden ook hun schouders op kunnen halen en zeggen: creperen jullie maar. Het blijkt ook uit het feit dat meermalen een Japans medisch team naar het kamp kwam om ons te vaccineren, onder andere toen er geruchten van cholera waren. Dat hadden ze voor hetzelfde geld, nee, voor minder, kunnen nalaten.

Wat de Japanners zwaar moet worden aangerekend, zo heb ik geschreven, is dat ze ons geen medicijnen verstrekten. Na de oorlog bleken er goedangs vol kinine en Dagénan te zijn. Maar dat ze ons daar niets van gaven is denk ik toch niet uit berekening, of op grond van een of ander monstrueus plan zich van ons te ontdoen, al zijn er nog steeds mensen die graag die gedachte koesteren. De reden dat het niet bij hen opkwam ons daarvan te geven was dat het militaire voorraden waren, en daar iets aan onttrekken betekende in de militaire manier van denken waarschijnlijk een vorm van sabotage; ik vermoed dat ieder denken daar eenvoudig ophield; de Keizerlijke militaire reserves waren onaanraakbaar en niemand had de bevoegdheid er iets aan te onttrekken.

En zo gingen de spiegels aan scherven. Op het eind ging het hard, in de laatste twee maanden stierven ongeveer evenveel mensen als in de tien daarvoor, en ook na de bevrijding ging het nog een poosje door. Het leek nog steeds angstig dichtbij toen ik daar in 1994 voor de tweede keer voor de nog altijd open graven stond, blijkbaar heeft niemand ooit de moeite genomen ze dicht te gooien na het overbrengen van de resten naar Java. In elk van die kuilen, zo viel me daar in, moet iemand hebben gelegen die ik kende; na een half jaar in een kamp van 2000 mensen kende je bijna iedereen tenminste wel van gezicht.

Ook het graf van Si Boelé moet daar ergens geweest zijn. Si Boelé, die in de jungle verwilderde koffie wist te herkennen en mij leerde hoe je koffie kunt zetten van de bladeren. Si Boelé, die liet zien hoe je mussen kunt vangen* en de knollen van de oebi kajoe (cassave) kunt stelen zonder sporen achter te laten. Die eindeloos kon vertellen over zijn avonturen op de jacht en bij de meisjes in de kampong. Van wie ik de Maleise woorden leerde voor intieme menselijke lichaamsdelen en wat er allemaal mee kon worden gedaan. Die mij vertelde dat bila 'wanneer dan ook' betekent (Soengei Bila, de Wanneer-dan-ook-rivier: dat sloeg weer op het feit dat het oversteken van de Bila een eufemisme was voor 'het kamp verlaten') en dat van een koperen cent die je in een doorgesneden ananas legt de volgende ochtend niets meer over is dan een groene plek (hetgeen later bij verificatie juist bleek). Die mij uitlegde waarom krokodillen die op een zandplaat wassers of baders weghalen altijd vrouwtjes zijn: de mannetjes kunnen zich niet snel voortbewegen, belemmerd doordat hun geslachtsorgaan - 'jongeheer', was het woord dat hij gebruikte - schuin naar voren in het zand steekt. En die bij al die heroïek (hij beoefende, zei hij, een doctrine genaamd Ilmoe Karang die hem onoverwinnelijk maakte) verwonderlijk bijgelovig was en alle moed liet varen nadat hij gedroomd had dat hij bij een grote feestmaaltijd aanzat met uitsluitend overledenen.

En dat is maar de helft van het verhaal, heb ik eens geschreven. De andere helft heb ik van horen zeggen: die droom was zo duidelijk en zo vreemd, dat hij in de droom dacht: laat ik iets vastpakken en het niet meer loslaten, wat er ook gebeurt. Hij werd toen wakker met een glas in zijn hand; en niet zomaar een glas, maar een antiek VOC-drinkglas. Dat verhaal - dat ik niet geloofde: volgens mij ook een legende, die hij ergens had gehoord of gelezen - heb ik hem zelf horen vertellen. Wat ik van horen zeggen heb is dat er in zijn boeltje, toen hij dood was, een VOC-glas werd aangetroffen. Wat er ook van waar is, Si Boelé was degene die mij een Indië heeft leren kennen waar ik niets van wist; dat is een van de weinige zinvolle belevenissen van Si Rengo Rengo geweest. Ik moet vaak aan hem denken als ik Tjalie Robinson lees. Waarom heeft hij zich toch laten interneren, dat heb ik me vaak afgevraagd, net als over andere kampgenoten die zoveel Indisch bloed hadden dat ze helemaal niet hoefden. Misschien speelde het een rol dat Si Boelé een blanke huid had, een 'witte kakkerlak' werd dat genoemd.

Het is maar goed dat die hele verziekte samenleving niet meer bestaat, denk ik dan. Het is zeker dat door deze laatste reis mijn herinneringen nog weer verder zijn veranderd; een enorme factor was dat ik mijn dochtertje van acht bij me had, dat ik haar het decor van mijn jeugd heb kunnen laten zien, alsof ik daarop gewacht had; alsof ik er nu definitief afscheid van heb kunnen nemen.

Het is niet te ontkennen dat me ook bezig hield hoe het geweest zou zijn als ik nu opeens geïnterneerd werd en van haar gescheiden zou worden, niet zou weten of ze leefde of dood was, kortom de situatie waarin toen zoveel volwassenen waren. Dan denk je dat je het niet uit zou kunnen houden, dat je gek zou worden van angst. Natuurlijk, het was oorlog, zulke dingen gebeurden over de hele wereld en nog veel erger, in Duitsland, in Oost-Europa. Maar ik herinner me dat we een keer aan het eind van de middag met de hele filmploeg plus mijn dochtertje door Siantar liepen, en ze was uitgeput, ze kon niet meer. Frans Hoeben, de regisseur van de film, nam haar toen op zijn schouders en droeg haar, en opeens overviel me de gedachte aan de oorlog, hoe er geen hulp was, hoe er gesleept is met kinderen, hoe er kinderen doodgingen, want die hadden geen vrijstelling. Het herinnerde mij natuurlijk ook aan hoe ik mijn vader op mijn rug droeg - het was of ik aan de rand stond van een afgrond, ik had het niet meer.

Ook op Si Rengo Rengo stierven jongens van 11; moeder in een ander kamp, vader in Burma - de enige die naar die kinderen omkeek was Vader Ubu van het Brastagi-Internaat, en ook al werd gezegd dat hij van die kinderen profiteerde, zich een deel toeëigende van hun extra-rantsoenen, hij deed het toch maar, er was niemand anders die het deed. Of nee, er valt me nu in dat er nog iemand was: IJsselstein, die van de gedichten uit Brastagi; maar die is al vrij gauw in het kamp overleden. Hij verfde zijn haar, dat bleek in het kamp, toen werd hij ineens grijs want de verf was op. Wie plengt nu nog tranen om al die dingen? Het is verdwenen achter de horizon, er is een halve eeuw voorbij, care pater, het was allemaal voor niets. * Ook beschreven door Joop Al in Ambarawa, Bandoengan en de Belg Refuge. Het bijzondere van dat boek is dat het een idee geeft van de belangrijke rol die vindingrijkheid speelde in de internering.