Er is geen excuus om racist te worden; Gesprek met Nadine Gordimer over morele dilemma's in Zuid-Afrika

Het persoonlijke en het politieke zijn in de romans van de Zuidafrikaanse schrijfster Nadine Gordimer moeilijk te scheiden. Pas nu de apartheid is verdwenen, noemt ze Zuid-Afrika 'haar wereld'. “Mensen vragen altijd: waar gaan Zuidafrikaanse schrijvers over schrijven nu er geen apartheid meer is? Alsof het leven is opgehouden. Het leven is net begonnen. Mijn rol als schrijver verandert in het geheel niet.” Gesprek met Nadine Gordimer die op 8 december in Leiden de Huizinga-lezing houdt.

Van Nadine Gordimer zijn in het Nederlands verkrijgbaar (uitg. Bert Bakker): Een wereld van vreemden (vert. Heleen ten Holt); Kansen op liefde (vert. Eugène Dabekaussen en Tilly Maters); Niemand die mij vergezelt (vert. Heleen ten Holt) en De leugenachtige dagen (vert. Heleen ten Holt). Binnenkort verschijnt Een eregast als Super Ooievaar Pocket.

De jacarandabomen bloeien. De straat is als een kathedraal met een paars plafond, waar de namiddagzon doorheen schittert. De voorjaarsregens naderen - donkergrijze lucht, donder van verre, een lichtflits. In Parkhurst, Johannesburg, lopen alleen tuinmannen en bedienden. Het blanke leven is verscholen achter muren met borden van Eagle Watch Protection, waarin de adelaar landt.

Om de hoek ligt Zoo Lake, het grootste openbare park van Johannesburg, waar Nadine Gordimer regelmatig wandelt. Toen projectontwikkelaars onlangs plannen aankondigden om van Zoo Lake een commerciële kermis te maken met winkels en restaurants aan het water, shopping mall nummer zoveel, kwam de stad in opstand. Iedereen voelt zich nu mede-eigenaar van het park. “Ik loop er en zie hoe het veranderd is. Het is zo'n vrolijke plek, je ziet er blank en alle tinten zwart, en iedereen doet wat hij wil. Er liggen gemengde paren onder de bomen, kun je het je voorstellen? Voor een Europeaan betekent het misschien niets, voor ons is het heel veel”.

Nadine Gordimer is een kleine rots. Donkere kleren, grijs haar en koele ogen die vlammen wanneer een vraag haar niet bevalt. De kamer is kloosterachtig streng. Er staan een tafel en vier hoge stoelen. Een paar kleine prenten aan de muur, en een houten nijlpaard als het enige frivole element. Op de tafel staat een kleine radio. Een paar uur geleden hoorde Gordimer de woordvoerder van de politie routinematig verklaren dat er dit weekeinde in Natal slechts veertig doden zijn gevallen. Vorig weekeinde werden er vijftig moorden gepleegd. “Alsof dat vooruitgang is. De erfenis van de apartheid is verschrikkelijk.” Het is de keerzijde van Zoo Lake.

Nadine Gordimer, die in 1991 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, is bevrijd sinds Zuid-Afrika bevrijd is. In een lezing verklaarde ze onlangs dat ze Zuid-Afrika na de apartheid eindelijk haar wereld kan noemen, en dat ze eindelijk kan spreken van 'haar volk'.

Ze groeide op in een Engelstalig immigrantengezin in het mijnstadje Springs, gescheiden van zwarten en Afrikaners, de blanke afstammelingen van de Nederlandse kolonisten. Haar wereld was Engeland, 'The other world that was the world': bridge-middagen, dansen op zaterdagavond en liefdadigheids-bazaars. Ze ontworstelde zich daaraan door te schrijven. Ze vergelijkt zichzelf met Jacques, de blanke jongen uit Le Premier Homme van Albert Camus, die ontdekte dat hij als blanke Fransman in Algiers 'zichzelf moest scheppen'.

Raciaal vooroordeel

Die ontdekkingstocht 'to make myself' zou in Zuid-Afrika onvermijdelijk leiden tot het slechten van de kleurbarrières en de toewijding aan de goede zaak, de strijd tegen de apartheid. In het kunstenaarsmilieu in de jaren vijftig in Johannesburg, het begin van haar 'persoonlijke revolutie', maakte zij voor het eerst kennis met de zwarte wereld. “Ik ben heel gelukkig geweest. Ik schijn te zijn geboren zonder raciaal vooroordeel,” zegt ze. Later in het gesprek ontdekt ze er toch een: de eerste keer dat ze in een vliegtuig zat en merkte dat de piloot zwart was, was haar reactie 'Oh my God'. “Ik dacht gewoon niet na, ik was nerveus.”

Het persoonlijke en het politieke raakten in haar elf romans sinds The Lying days (1953) steeds meer verweven. Sommige boeken werden dan ook in eigen land verboden. Gordimer vereenzelvigde zich zo sterk met het Afrikaans Nationaal Congres (ANC), dat critici in eigen land haar in de jaren tachtig gingen beschouwen als de hogepriesteres van het politiek-correcte schrijven. De politiek is haar taal binnengedrongen: ze spreekt over de struggle, het ANC heet the movement en haar partijgenoten die regeerders zijn geworden noemt ze comrades. Een gesprek met Gordimer verspringt onvermijdelijk van literatuur naar politiek. De andere wereld die haar wereld was, is verdwenen. 'Ik ben niet langer een koloniaal,' zei ze in haar lezing.

U hebt de verkiezingen van 1948 meegemaakt, waarin de Nationale Partij aan de macht kwam. Hoe herinnert u zich die tijd?

“Ik was 25 jaar oud en niet werkelijk geïnteresseerd in politiek. De communistische partij was verboden, dus ik heb waarschijnlijk op de United Party (van premier Smuts, PtH) gestemd. Maar ik zag racisme, en het kwelde me. Ik zag nog niet dat de politieke weg de enige manier was om het te veranderen. Het goede voor mij als mens en als schrijver was dat mijn voorstelling van racisme voortkwam uit persoonlijke ervaringen. Het was meer een menselijk antwoord dan een theoretisch antwoord op de manier waarop de wereld om mij heen was georganiseerd.

“Een van de eerste verhalen die ik als tiener schreef was geïnspireerd door een inval van de politie in mijn ouderlijk huis. Dat gebeurde elk weekeinde, om het illegaal brouwen van drank door zwarten tegen te gaan. De politie liep simpelweg je tuin in, rechtstreeks naar de bediendenverblijven, zonder dagvaarding en zonder om toestemming te vragen. Ze haalden alles overhoop, tot aan de composthoop. Blanke mensen, inclusief mijn ouders, waren er niet eens kwaad of ontzet over. Lidy, de vrouw die voor ons werkte, was deel van mijn leven sinds ik twee jaar oud was. Zij had autoriteit over mij. Als ik niet naar school wilde, gaf ze me een klap en trok me mee. Om haar zo vernederd te zien, om te zien hoe de politie al haar spullen zo in de tuin smeet, dat maakte een indruk op mij.”

Hoe was het om als Engelstalige Zuidafrikaan op te groeien in een dorp met blanke Afrikaners?

“Er was een geweldig anti-Afrikaner-gevoel in de blanke Engelse kringen waarin ik verkeerde. Men noemde een Afrikaner 'a real japie'. We gingen naar verschillende scholen, we kenden geen Afrikaner mensen. Zij woonden in een eigen buurt die Geduld heette. Tijdens de depressie van de jaren dertig zag ik de arme blanken, allemaal Afrikaners, naar de kerk of de welzijnskantoren komen om voedselpaketten op te halen. De kleine jongens liepen op blote voeten en waren ondervoed. De Afrikaners vormden werkelijk de onderklasse. Niemand keek naar hen om. Bij de verkiezingen stond de Nationale Partij daar, met een gammel tafeltje en een paar koekjes. Ze werden uitgelachen. Maar die jongens op hun blote voeten groeiden op en werden de heersers van Zuid-Afrika. Ironisch.”

Na de apartheid lijkt de Engelstalige gemeenschap de meest geïsoleerde groep in Zuid-Afrika, terwijl de zwarte Afrikaan en de blanke Afrikaner het land regeren. Het is alsof er een bijna knusse verhouding ontstaat tussen leiders van het ANC en leiders van het uiterst rechtse Afrikanerdom.

“Dat is politiek eigenbelang, my dear. Natuurlijk. Al die borstklopperij, ik vind het gênant. Ik geloof niet in het romantische idee dat de Afrikaner een Afrikaanse stam is. Dat beeld van de kleine boerderij, het simpele leven, dat je zogenaamd zo dicht bij het land en de zwarte brengt. Kijk hoe ze met de zwarten omgingen: ze stonden helemaal niet dicht bij de zwarten, behalve in de achtertuin waar ze met de meid sliepen. Aan de andere kant heb je natuurlijk de liberale arrogantie van Engelstalige blanken die hun vinger ophieven, maar tegelijk de kleurscheiding in stand hielden. Dat was even verwerpelijk.”

President Mandela heeft in een toespraak gezegd: 'ik heb veel Engelstalige vrienden, maar de blanken die echt veranderen, zijn de Afrikaners.'

“Mandela spreekt over de Engelsen in de gegoede buurten van Johannesburg, de club-going people. Die zijn inderdaad niet veranderd. Ze voelen zich zeker van hun zaak: ze weten dat dit bestel een contract is tussen de regering en het bedrijfsleven. De Afrikaner heeft dat vertrouwen niet, en heeft ook geen Europese steun. Ik geloof niet dat er in uw land veel interesse is voor de Afrikaner gemeenschap. Ze moeten dus veranderen.

“Ik was in maart in Duitsland. Al die jaren ben ik niet in een Zuidafrikaanse ambassade overzee geweest, maar nu kreeg ik een uitnodiging voor een welkomstcocktail. Ik dacht: het is nu de regering van mijn land, ik moet het aanvaarden. De plaatsvervangend ambassadeur, een jonge Afrikaner, moest en zou de volgende dag met mij lunchen. Hij kwam letterlijk op mijn schouders uithuilen: 'ik ben zo opgegroeid, je neemt de waarden van je ouders over. Ik zou nu werkelijk mijn land willen dienen, maar ik neem aan dat het niet meer mogelijk is.' Het was alsof hij van mij een aanbeveling verwachtte! Daar word ik nogal moe van. Ik ben ook opgegroeid in een milieu met raciale vooroordelen. Had ik dat als excuus moeten gebruiken om een racist te worden?”

De noodzaak om 'uzelf te scheppen' verwijderde u van het blanke milieu waar u uit kwam.

“Familieleden hebben wel gezegd: 'Als het Nadine hier niet bevalt, waarom vertrekt ze niet?' Ik had op een of andere manier het instinct om eruit te stappen. Dat gaat ook op voor mijn zwarte kameraden. Goed, zij hadden een echte traditie die ik miste, zij hadden hun voeten op eigen grond. Zij waren gehersenspoeld om dat te ontkennen. In de koloniale tijd werd hen verteld dat ze geen beschaving en geschiedenis hadden. Zij moesten in zekere zin ook 'zichzelf scheppen'. Dat hadden we gemeenschappelijk.”

Analfabeet

De waardering voor geëngageerde Zuidafrikaanse schrijvers is in het buitenland altijd groter geweest dan in eigen land. Dat ligt ten dele aan omstandigheden in Zuid-Afrika zelf. Het lezend deel van de natie is klein - naar schatting zestig procent van de zwarten is analfabeet - en de blanke minderheid die van het systeem profiteerde had geen behoefte aan zelfkastijding. Bovendien leden veel Zuidafrikanen die anders dachten onder de uitzichtloosheid van het apartheidssysteem. Wie overdag in het dilemma leefde, wilde het niet 's avonds in boekvorm mee naar bed nemen.

In het buitenland zagen lezers Zuidafrikaanse schrijvers als Gordimer juist als mensen 'die bevoorrechte toegang hadden tot wat we losjes 'de Zuidafrikaanse situatie' mogen noemen,' zoals de auteur J.M. Coetzee het in The Great South African Novel (1983) omschreef. Hun boeken werden, in de woorden van Coetzee, 'verplichte achtergrondstof voor iedereen die wilde weten hoe het nu was in Zuid-Afrika aan het eind van de twintigste eeuw.' Dit gold ook voor Gordimer. In eigen land verkocht ze niet meer dan duizend boeken per jaar, overzee stond ze op de bestseller-lijsten en kreeg ze de Nobelprijs.

Die bewieroking staat in scherp contrast tot de venijnige veroordeling van Gordimer's werk door Engelstalige academici in Zuid-Afrika. Terwijl de wereld haar huldigde als een soort blank Zuidafrikaans geweten, verweten critici thuis Gordimer dat haar ideologische blik van de 'romantisch revolutionair' de complexe realiteit van het land niet ving. Het 'systeem' als bron van alle kwaad tegenover de 'warme' kameraadschap van de bevrijdingsstrijd keert in haar boeken steeds terug, maar Zuid-Afrika laat zich moelijk verklaren volgens een goed-kwaadschema. In zijn kritiek op de 'apartheidsliteratuur' uit 1990 schreef Albie Sachs, een ANC-jurist die nu rechter is van het Constitutioneel Hof: 'het enige toegelaten conflict lijkt dat tussen het oude en het nieuwe, alsof het kwaad alleen in het verleden bestond en niet in de toekomst zal bestaan (-) met goede mensen aan de ene kant en slechte mensen aan de andere kant.'

In een recente uitgebreide literatuurstudie, Rereading Nadine Gordimer, weegt Kathrin Wagner het oevre van Gordimer en komt tot de conclusie dat het lijdt aan 'simplificaties en stereotypen', aan 'generalisering en romantisering'. Het lijkt, oordeelt Wagner, alsof de betekenis van het leven voor Gordimer ligt in de opoffering aan de politieke strijd, die uiteindelijk zal leiden tot absolutie en toegang tot de gemeenschap van de 'onderdrukten'.

“Nee, ik lees zelden dingen over mezelf,” zegt Gordimer. “Ik weet wat ik wil doen en ik weet wanneer ik daarin ben geslaagd of heb gefaald.”

In haar laatste roman, None to accompany me, is de hoofdpersoon een blanke vrouw, Vera Stark. Ze werkt bij een organisatie die zich inspant om zwarten grond terug te geven die hen onder de apartheid is afgenomen. Het decor is Zuid-Afrika aan het begin van de jaren negentig - de onderhandelingen over een nieuwe grondwet, het ANC dat zich voorbereidt op de macht, de moord op ANC-leider Chris Hani. Uiteindelijk besluit Vera Stark haar huis te verkopen, de banden met haar verleden te verbreken en in te trekken bij een zwarte man. Het is een thema dat terugkeert in Gordimers werk: alleen een nieuw type blanke Zuidafrikaan zal zich een plaats verwerven in postkoloniaal Afrika. Gordimer is zelf zo'n nieuwe Zuidafrikaan geworden, concludeert Wagner in haar studie: 'In de beoefening van haar kunst heeft ze de meervoudige achterstanden van sekse, taal, klasse en kleur waarin ze is geboren, overwonnen en voor zichzelf het recht verdiend om te behoren tot het oprijzende nieuwe Afrika, waarvan ze de grenzen in haar fictie profetisch heeft willen scheppen als de ultieme wens.'

Is uw rol als schrijver in Zuid-Afrika veranderd na de apartheid?

“Mensen vragen zich af: waar gaan Zuidafrikaanse schrijvers over schrijven nu er geen apartheid meer is? Alsof het leven is opgehouden. Het leven is net begonnen. Mijn rol als schrijver verandert in het geheel niet. Mijn rol is altijd geweest het mysterie van het leven te onderzoeken, zoals het zich manifesteert waar ik leef en in de mensen die ik ken. Als zij veranderen, verandert mijn leven in antwoord daarop. Dat is het materiaal waaruit ik put.

“Het menselijk leven is zo'n geheim, zo oneindig boeiend. Mensen zijn zo wisselvallig. Neem alleen al wat we hadden verwacht sinds de verkiezingen van april 1994 en wat er is gebeurd. Hele vreemde dingen komen op: grote morele kwesties, zoals de doodstraf. Daar hebben we vroeger nooit over nagedacht. De doodstraf was gewoon iets vreselijks of iets wat we heimelijk sommige mensen toewensten. Ik herinner me de avond in 1960 dat premier Verwoerd (architect van de apartheid, PtH) in het hoofd was geschoten en het overleefde. Wij aten thuis bij Helen Suzman (liberaal politica, PtH). Haar man Mosie, die arts was, was naar Pretoria geroepen om Verwoerd medische bijstand te verlenen. Wij wilden dat hij doodging, natuurlijk, wij hadden de doodstraf uitgesproken. Mosie belde op vanuit het ziekenhuis, Helen antwoordde en kwam weer de kamer in met de mededeling: 'Mosie zei: 'Het enige wat die kogel heeft gedaan is zijn voorhoofdsholte schoonmaken'. Prachtig.

“Nu hebben we de morele ruimte om na te denken. We moeten morele compromissen sluiten voor het grotere doel. We kunnen niemand meer doden, omdat we zelf geen moordenaars willen zijn. Dat soort kwesties vind ik absoluut fascinerend.”

Heeft u zich ooit 'gevangen' gevoeld door het alles overheersende onderwerp van de apartheid, een soort literair gedetineerde?

“Nee, waarom zou ik? De grootste fout is om naar mijn werk te kijken als een serie statements in de strijd tegen de apartheid. Ik begon niet te schrijven uit politieke overtuiging, maar uit de noodzaak to make sense of life in Zuid-Afrika. Dan kon je niet om de politieke context heen: het gedrag van mensen werd er zo door beïnvloed. Je kunt niet vanuit een vacuüm schrijven. Je schrijft vanuit de beelden, de geuren en de geluiden - de atmosfeer die je in je meedraagt. Ik heb dat nooit als een begrenzing gezien.

“Wij die schreven wat wij als de waarheid zagen, werden veracht, naar ons werd niet geluisterd. Wij drukten uit wat veel mensen niet zeiden omdat ze te bang waren. Salman Rushdie heeft gezegd dat schrijvers er zijn to speak the unspeakable, to say the unsayable. Dat hebben wij gedaan. En in de toekomst moeten we dat blijven doen. De impliciete rol van de schrijver is altijd kritisch, of het nu Jane Austen is, Günter Grass, D.H. Lawrence of ik. Wij zijn schrijvers en burgers: in zekere zin praten we tegen onszelf, dagen we onszelf uit. Wij zijn ons eigen publiek.”

Is het vervullen van die kritische rol moeilijker nu uw kameraden aan de macht zijn?

“Zelfs als het moeilijk is, moet het gedaan worden. Tot nu toe heb ik goede ervaringen. In None to accompany me behandel ik op fictieve wijze het interne conflict in het ANC tussen de mensen die altijd in Zuid-Afrika zijn gebleven en de teruggekeerde ballingen. Mijn vrienden in de movement die het hebben gelezen, hebben niet gezegd: je hebt ons verraden. Dat toont respect voor de integriteit van de schrijver. Een van de sterke punten van het ANC is dat niet iedereen wordt gedwongen de partijlijn te volgen. Dat wordt uitgedragen door mensen die de strijd hebben meegemaakt, die zich de verschrikkelijke onderdrukking van het woord herinneren. Of de nieuwe generatie zonder die achtergrond nog die tolerantie zal hebben, weet ik niet. Hoe dan ook, ik zal er dan waarschijnlijk niet meer zijn.”

U heeft ooit de hoop uitgesproken dat er in Zuid-Afrika een soort 'Afrikaans socialisme' zal ontstaan, dat het blanke kapitalisme niet eenvoudigweg wordt vervangen door zwart kapitalisme. Het laatste lijkt nu te gebeuren.

“Vindt u? Ik geloof dat we nu een pragmatische aanvaarding van de omstandigheden zien, geboren uit de rampen die we in de landen om ons heen hebben gezien. De zelfverrijking was er vroeger ook. Het is erg moeilijk voor mensen die niets hadden om niet te vallen voor de verleidingen van mensen die contracten willen, en die meer bieden. Maar er zijn middelen om het te corrigeren, onderzoekscommissies, dat soort dingen moeten we stimuleren.

“Ik zie elementen van een 'Afrikaans socialisme'. Het mag niet theoretisch-socialistisch zijn, het moet heel praktisch zijn. Neem de programma's om water te brengen naar de mensen op het platteland. Het is altijd zo geweest dat de blanken het water gebruikten en de zwarten met de emmer naar de rivier konden lopen. Nu is er een regering die gelijkheid schept. Mensen krijgen water. Voor mij is dat een socialistische daad. De kapitalisten deden het nooit.”