Elk jaar nieuwe grotesken; Pleidooi van Charles Jencks voor een kosmische architectuur

Charles Jencks: The Architecture of the Jumping Universe. Uitg. Academy Editions, 176 blz. Prijs ƒ 46,20.

Het is niet moeilijk om de volgende mode in de architectuur te voorspellen: de vouw en de plooi. Ze komen al enkele jaren voor in de ontwerpen van modebepalende architecten als Rem Koolhaas en Peter Eisenman. Koolhaas bijvoorbeeld voorzag zijn ontwerp voor een universiteitsbibliotheek in Parijs uit 1993 van etages met geleidelijk oplopende vloeren, die deden denken aan (en ook inderdaad waren afgeleid van) een gescheurd en vervolgens ingenieus gevouwen blad papier. Zo zou het gebouw één grote hellingbaan worden. Koolhaas' idee bleef onuitgevoerd, maar keerde terug in de geplooide vloeren van het nu in aanbouw zijnde VPRO-kantoor, ontworpen door het jonge architectenbureau MVDVR.

Ook in The Architecture Of The Jumping Universe, het nieuwe boek van de Amerikaanse architectuurcriticus Charles Jencks, worden de vouw en de plooi genoemd als kenmerken van een nieuwe architectuur. De vouw, zoals Peter Eisenman die in zijn ontwerpen gebruikt, is volgens Jencks gebaseerd op de zogenaamde de catastrofe-theorie. Anders dan de naam doet vermoeden gaat deze theorie niet zozeer over rampen als wel over de dramatische veranderingen die zich voordoen wanneer 'systemen door de toevoeging van energie of informatie uit hun evenwicht worden gehaald', aldus Jencks. Zulke veranderingen, waarvan de overgang van water in stoom een eenvoudig voorbeeld is, kunnen het beste worden weergegeven door een plooi in een papier. Die geeft zowel continuïteit weer (watermoleculen blijven watermoleculen, het blad papier blijft een blad papier) als verandering (stoom is iets anders dan water, de plooi leidt naar een hoger niveau).

De catastrofe-theorie is slechts een van de vele nieuwe theorieën en verschijnselen die Jencks naar voren brengt om te laten zien dat de wereld en het universum heel anders is dan de meesten tot nu toe dachten. Jencks heeft in de complexiteitswetenschap, de chaostheorie, fractalen, zelfgelijkenis, feedback, quantummechanica, ecologie en gaia-theorie nieuwe munitie gevonden in zijn niet aflatende strijd tegen het modernisme, dat hij als de vloek van de architectuur beschouwt: “Toegegeven, na twintig jaar wordt het tegen modernisten aanschoppen een beetje vermoeiend; maar zolang het monster met het hydra-hoofd elk jaar weer nieuwe grotesken voortbrengt, moet men nieuw manieren bedenken om ze belachelijk te maken.”

Het is verbazend hoe Jencks steeds weer nieuwe manieren vindt om het modernisme aan te vallen. In de jaren zeventig begon hij als gewone propagandist van het postmodernisme, dat volgens hem door 'dubbele codering' voor zowel het grote publiek als voor critici en architecten zelf interessant kon zijn. Zo bood het postmodernisme een alternatief voor de doodse, modernistische architectuur die alleen door een elite van ingewijden werd gewaardeerd. Twee jaar geleden propageerde hij in zijn boek Heteropolis. Los Angeles de zogenaamde 'hetero-architectuur', de nieuwe bouwkunst in Los Angeles die de verschillen waaraan deze stad met tientallen minderheden zo rijk is, niet verdoezelt maar beklemtoont. Chic èn aftands, vriendelijk èn ruw, agressief èn hedonistisch zijn de hetero-gebouwen, die hij plaatste tegenover de 'mono-architectuur', de geperfectioneerde dozen van modernisten als Mies van der Rohe.

En nu houdt Jencks dan een pleidooi voor een nieuwe, kosmische architectuur als alternatief voor het modernisme. In het laatste hoofdstuk somt hij acht criteria op, die erop neerkomen dat de nieuwe bouwkunst op een of andere manier de nieuwe inzichten in het wezen van de wereld en het universum moet weergeven. Golvende lijnen, organische vormen, geplooide ruimtes zijn hiervoor uitstekend geschikt.

Men kan zich natuurlijk afvragen of architectuur wel een weerspiegeling van wetenschappelijke, politieke of religieuze opvattingen moet zijn, maar Jencks maakt aan deze vraag geen worden vuil. Bouwkunst is altijd de weerspiegeling geweest van een wereldbeeld, aldus Jencks, en dus moet de architectuur ook nu weer de nieuwe wetenschappelijke theorieën zichtbaar maken.

Die nieuwe inzichten zijn natuurlijk geheel tegengesteld aan de modernistische, mechanistische opvattingen. Terwijl de modernisten het universum zien als een machine, duidt de complexiteitswetenschap erop dat het universum een 'zichzelf organiserend, onvoorspelbaar, creatief organisme is.' En anders dan de modernisten denken, ontwikkelt het universum zich niet lineair, maar sprongsgewijs. Sinds het begin van de tijd heeft het universum zich in twaalf hoofdsprongen ontwikkeld tot een steeds complexer systeem. De sprong naar het leven is er daar een van, aldus Jencks. De modernisten denken dat het ontstaan van het leven te danken is aan toeval, maar Jencks gelooft met veel postmoderne wetenschappers dat het universum van begin af aan was gericht op de creatie van een soort leven. Niet per se op het leven zoals wij dat nu kennen, maar wel iets soortgelijks. Het universum is niet gepredetermineerd, maar heeft wel een bepaalde richting, die naar steeds complexere systemen voert.

Chaos, waar modernisten met hun hang naar orde en regelmaat zo'n hekel aan hebben, speelt in de ontwikkeling van het universum een belangrijke rol, schrijft Jencks. Een geheel geordend systeem kan zich niet ontwikkelen, maar een geheel chaotisch ook niet. De grens tussen orde en chaos is het rijkst aan mogelijkheden.

En zo dendert Jencks maar voort. Hij overlaadt de lezer met beknopte samenvattingen van tientallen theorieën over de wereld en het universum die allemaal wijzen op de juistheid van het postmodernistische gedachtengoed. Het is indrukwekkend wat Jencks allemaal aan gegevens naar voren brengt, maar het roept ook een zeker onbehagen op. Net als bij de geschriften van New-Age-aanhangers, die zich vaak op dezelfde theorieën beroepen, dringt zich de vraag op of Jencks het allemaal wel goed heeft begrepen. Kan een architectuurcriticus wel zoveel wetenschappelijke kennis doorgronden of schotelt Jencks ons, onwetenden, allerlei ontoelaatbare versimpelingen van complexe theorieën voor om ons te bekeren tot de nieuwe architectuur?

Tussen alle overvloed aan kosmische theorieën laat Jencks ook iets zien van de aanzetten van de nieuwe architectuur. Zo krijgen we de golvende gebouwen van Eisenman te zien, de organische architectuur van Santiago Calatrava, de gevouwen vloeren van Rem Koolhaas en bovenal de ontwerpen van Jencks zelf voor een tuin en een huis in Schotland. En vooral dit laatste overtuigt niet. Als in Jencks' werk de toekomstige architectuur is te zien, dan gaan we sombere tijden tegemoet. Jencks' golvende meubelen en vooral zijn hippie-achtige objecten die de ontwikkeling van het universum moeten verbeelden, hebben beslist iets kitscherigs. Maar, zo moet ik toegeven, dit oordeel is niet gebaseerd op een wetenschappelijk inzicht maar slechts op een esthetische voorkeur.