Een mooi vak

De heer Vogel had rood haar, twee kleinkinderen en een wandelstok waarmee hij op zijn bureau sloeg als hem iets niet beviel. Er was veel dat hem niet beviel. Behalve dat had hij mij in het half uur dat ik hem nu kende meer over zijn leven verteld dan mijn vader in twintig jaar.

Eigenlijk was ik in een bespreking met de heer Vogel, maar die bespreking was nu even onderbroken, omdat hij de politie moest bellen. Vlak daarvoor had hij nog gezegd, “je had me vijftien jaar geleden moeten zien, ik was een depressieve hond.”

Van die depressieve hond was niet veel meer over. Integendeel, de heer Vogel was de levenslust zelve. Hij bediende vijf telefoons tegelijk, twee secretaresses bediende hij ook en hij liep voortdurend rondjes in zijn kantoor zelfs als hij met je in bespreking was. Hij had ook nog tijd te regelen wanneer zijn werknemers naar de wc mochten. Hij had als enige de sleutel van de wc en hield nauwkeurig bij hoe lang iedereen daar bleef. “Houd het maar op,” had ik hem al twee keer horen roepen, “houd het maar op, dat moet je leren in dit vak.”

De heer Vogel was een van die mensen die op late leeftijd nog carrière hadden gemaakt. Misschien iets te laat, want tegelijkertijd met zijn eigen zaak en zijn carrière had zich een achtervolgingswaanzin van hem meester gemaakt die zijn leven beheerste. Natuurlijk, zijn twee kleinzoons uit zijn tweede huwelijk en zijn derde huwelijk beheersten hem ook wel, maar eigenlijk toch alleen maar tijdens het weekend. Zelfs dan viel het hem moeilijk er niet aan te denken hoe alles wat hij had opgebouwd weer van hem zou worden afgenomen. Een begrijpelijke gedachte, maar net als aan de dood is het misschien beter daar niet de hele tijd aan te denken.

Op dit moment riep de heer Vogel, “eruit, eruit, of ik bega een moord.” Degene die eruit moest gaan trok zich hier niet veel van aan. Ik had nog nooit twee makelaars met elkaar op de vuist zien gaan, maar in het kantoor van de heer Vogel scheen dat wel vaker te gebeuren. De heer Vogel had de gewoonte, hoorde ik later, zijn wandelstok in je buik te prikken en je op die manier de deur uit te drijven.

In mijn bijzijn wilde hij het zover niet laten komen, denk ik, daarom belde hij de politie. “Er is hier een ongewenste indringer,” zei hij.

De ongewenste indringer zat naast mij en belde op een andere lijn ook de politie om melding te doen van fysieke mishandeling. Het was een klein kalend mannetje met wat zwarte plukken haar en hij sloeg af en toe op zijn voorhoofd en wees daarna naar de heer Vogel. Toen ze allebei de politie zo ver hadden dat ze zouden komen fluisterde het kleine kale mannetje, “doe geen zaken met hem, hij hoort in een gekkenhuis.”

De politie was nogal in verwarring gebracht door de twee telefoontjes, want ze kwamen met zijn zessen binnenstappen. En toen ze eenmaal binnen waren wilden ze niet meer weg. Net als het kleine kale mannetje. De heer Vogel begon zich steeds meer op te winden, maar daar was de politie niet van onder de indruk. Niet alleen ik, ook de rest van het personeel vreesde voor een hartinfarct. Ze renden met glaasjes water heen en weer, maar de heer Vogel sloeg die glaasjes, alsof het de normaalste zaak van de wereld was, uit hun handen.

De politie kondigde aan dat ze hoor en wederhoor gingen toepassen en dat dat even kon duren. Ze wilden mij als getuige, maar ik bleef herhalen dat ik nergens iets van wist. Hoe de politie uiteindelijk is weggegaan weet ik niet, want de jongste medewerker van de heer Vogel, Noah, nam mij mee naar buiten.

In een bar tegenover het kantoor dronken wij twee biertjes op kosten van de heer Vogel en Noah zei, “het is een mooi vak, maar je moet er op tijd mee ophouden.”

“Zo is het met elk vak,” zei ik.

Toen we een uur later weer naar boven gingen had de heer Vogel een kleine metamorfose ondergaan. Soms ga je met iemand naar bed en de volgende dag doet ze alsof er niets gebeurd is. Zo deed de heer Vogel nu ook. Hij ontving ons in opperbeste stemming en drukte mij zelfs tegen zich aan als een verloren zoon. Hij stond op het punt een paar duizend dollar aan mij te verdienen, misschien was dat een verklaring voor zijn vreemde gedrag. Maar het kan ook zijn dat hij oprechte genegenheid voor mij had opgevat.

“Ik hoop niet dat je een slechte indruk van ons vak hebt gekregen,” zei de heer Vogel.

“Helemaal niet.”

Ik tekende de lease. Er was niet veel tijd de contracten te lezen, maar ik kon op de heer Vogel vertrouwen.

Alleen een paar glasscherven in de hoek herinnerden aan de gebeurtenissen van een uur geleden.

Toen ik opstond zei Vogel, “wil je hier misschien komen werken?”

Ik zei niets. Maar Vogel lachte en pakte mijn hand. “Jawel,” zei hij, “de cursus duurt 8 dagen, dan heb je een licentie, en als je belooft hier te komen werken zal ik je sponsor zijn.”

Ik zei nog steeds niets.

“Ik zie het wel in je zitten,” zei Vogel triomfantelijk, “en een paar dollars extra zijn nooit weg. Toch?”

“Ik zal erover nadenken,” beloofde ik. Misschien was ik daarom wel naar New York gegaan, om makelaar te worden.

“Je hebt talent,” riep Vogel me nog na, “ik herken talent.”

Ik herinnerde me dat ik deze woorden eerder gehoord had.

Toen ik uit de lift stapte stond daar het kleine kale mannetje. Kennelijk had hij op mij gewacht.

“Ik moet je iets vertellen,” zei hij, “het zal je vast interesseren.”