Een bloeddorstige reactionair; Alle kritieken en essays van J.C. Bloem verzameld

J.C. Bloem staat bekend als een klassiek dichter en een degelijk criticus die de kool en de geit spaarde. Deze reputatie is onterecht, blijkt uit de onlangs verschenen bundel met al Bloems kritieken en essays. Bloem schreef knetterende tirades en wond zich op over de toenemende 'barbaarsheid des geestes'.

J.C. Bloem: Het onzegbare geheim. Verzamelde essays en kritieken 1911-1963, bezorgd door H.T.M. van Vliet. Uitg. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1288 blz. Prijs ƒ75,-

Het moet in het voorjaar van 1929 zijn geweest, dat J.C. Bloem (1887-1966) op een middag een essaybundel bij de post vond. De dichter was op dat moment griffier van het kantongerecht in Lemmer en woonde samen met zijn echtgenote Clara Eggink in een 'boerenhuis' in het Friese dorpje St. Nicolaasga - ver van zijn literaire vrienden in het westen. Niet dat het Lemmerse griffierschap zoveel voorstelde; de functie kostte Bloem nauwelijks meer dan een dag per week en het salaris was navenant. Toch was Bloem niet ontevreden met het baantje, want het stelde hem in staat zichzelf en zijn vrouw te onderhouden en tegelijkertijd aan zijn gedichten te werken. Veel geld om boeken te kopen bleef er echter niet over en dus was de dichter blij met ieder boek dat hij door een krant of literair tijdschrift ter bespreking kreeg toegestuurd.

De aanvankelijke vreugde om de zending zal echter snel zijn omgeslagen toen Bloem zag dat het pakje een bundel van Just Havelaar bevatte. Havelaar was een schrijver die samen met Dirk Coster het literaire tijdschrift De Stem redigeerde, waarin de vrienden en eigenzinnig soort 'idealistisch-humanisme' predikten. Het tweetal was er van overtuigd dat de mensheid door literatuur, kennis en contemplatie op een 'hoger plan' getild kon worden - met hun eigen kennis en literatuur natuurlijk in het bijzonder.

De levenshouding van Havelaar was daarmee zo ongeveer tegenovergesteld aan die van J.C. Bloem, die zijn hele leven al een pessimist en een melancholicus was geweest. Dat was duidelijk geworden in zijn eerste dichtbundel, die niet voor niets Het verlangen had geheten, en in toenemende mate in zijn essays en kritieken. Daarin was de dichter zich, vooral waar het maatschappelijke kwesties betrof, steeds conservatiever en anti-democratischer gaan opstellen. Vooral iedere vorm van idealisme moest het ontgelden. Dat Bloem zichzelf met enige zelfspot ooit omschreef als een 'bloeddorstigen, onmenschelijken reactionair' was niet eens zo'n merkwaardige typering voor een man die zich steeds vaker in het openbaar opwond over 'de barbaarschheid des geestes die de afgelopen decennia over het mensdom was gekomen'.

Al die agressie vond zijn ontlading toen Bloem aan het einde van Havelaars bundel een aanprijzing van de criticus Dr. P. Minderaa aantrof. 'De idealen van dit boek zijn de hoop van veel jonge hunkerende harten', schreef Minderaa. 'Zij danken Havelaar voor de nieuwe, warme liefde tot die idealen, die zijn woord hen leert.' Toen Bloem dit las ontplofte hij - en schreef het essay 'De oude mensch', een knetterende tirade waarin frustratie van decennia over de 'moraliseerende dilettant' Havelaar werd heengestort. Hij werd afgemaakt op een manier die nog het meest doet denken aan de beroemde vernietiging van Dirk Coster, die Du Perron een paar jaar later zou schrijven.

'Deze afkeer [van Havelaar] heeft mij het unieke schouwspel bezorgd van een welhaast zwoegende J.C. Bloem en daar moet ik wijlen Havelaar dankbaar voor zijn,' zou Clara Eggink later spottend in haar memoires schrijven.

Nonconformisme

'De oude mensch' is met 21 pagina's verreweg het langste essay in Het onzegbare geheim, de in totaal 1288 bladzijden tellende verzamelde essays en kritieken van Bloem, samengesteld door H.T.M. van Vliet, die onlangs zijn verschenen. Zowel de toon van het essay als het aantal pagina's van de bundel strookt niet met de reputatie die Bloem sinds zijn overlijden met zich meedraagt. In de literatuurgeschiedenis staat Bloem enerzijds bekend als een van de allerluiste schrijvers die Nederland ooit gekend heeft, een indolent die niet vooruit te branden was, weigerde te werken en uit verschillende banen binnen een paar jaar ontslagen werd. Anderzijds wordt de criticus Bloem, die artikelen schreef voor De Gids, Den gulden winckel, Het vaderland en Elseviers weekblad, nog altijd gezien als vriendelijk en gematigd, een recensent die altijd de kool en de geit probeerde te sparen, wat hem in 1933 op het ironische 'Grafschrift' van Hans Hermans zou komen te staan. 'Op J.C. Bloem // Terwijl hij een recensie schreef/ gaf hij een geeuw, waarin hij bleef.'

Opvallend genoeg is die reputatie van saaiheid nadrukkelijk gevoed door Bloem zelf. In 1950 maakte hij een selectie uit zijn artikelen en gaf die uit als zijn Verzamelde Beschouwingen. Uit dit zorgvuldig geconstrueerde zelfbeeld kwam naar voren dat Bloem zichzelf het liefste zag als een degelijk criticus en klassiek dichter, die Albert Verwey als zijn grote leermeester beschouwde, Leopold als 'de grootste Nederlandse dichter sinds eeuwen' en die zijn eigen poëtica nog steeds samenvatte met de term 'het verlangen' - de 'goddelijke onvervuldheid' zoals hij het zelf omschreef. De drie beroemde, programmatische essays 'Over het verlangen', 'Over poëzie I' en 'Over poëzie II', waarin Bloem zijn literaire wereldbeeld uiteenzet, openden de bundel.

In Het onzegbare geheim wordt deze zelfgecreëerde reputatie voor een groot deel bijgesteld. In de bundel wordt voor het eerst een goed - want compleet - overzicht gegeven van Bloems kritische en essayistische werk. Bloem recenseerde zowel Nederlandse als buitenlandse literatuur, met de nadruk op Nederlandse poëzie - van Gorter en Nijhoff tot B.C. Broers en A.D. Keet. Daar zitten veel verplichte nummers tussen, maar vaak is Bloem prikkelend en tegendraads - zelfs in zijn twijfelproza is Bloem soms verrassend humoristisch. 'Over de gehele bundel verspreid [is er] zeker wel het een en ander dat verwachtingen zou kunnen wekken ten aanzien van een tweeden bundel van Wanda Koopman, indien men mocht veronderstellen, dat zij niet alleen haar verzen, maar ook haar wezen zou herzien', (over Wanda Koopman: Proeve in strategie, 1933). Ondanks zijn gematigdheid blijkt Bloem er ook een helder oordeel op na te houden: al vroeg zag hij het talent van Slauerhoff, Marsman en Lodeizen, en wist dat, hoe anders ze ook werkten dan hijzelf, goed op waarde te schatten.

Bloems nonconformisme komt het duidelijkste naar voren als hij zich op de maatschappelijke aspecten van de literatuur richt. Het beste voorbeeld daarvan is de discussie die hij voerde met Nijhoff naar aanleiding van de roman Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque - de grote bestseller van 1928 en 1929 waarvan iedereen diep onder de indruk was, omdat het zo'n waarheidsgetrouw en schrijnend beeld van de Eerste Wereldoorlog zou geven.

Zoals veel intellectuelen uit die tijd was ook Nijhoff bijzonder begaan met Remarques roman. Hij noemde Im Westen nichts Neues een monument en een meesterwerk, maar stuitte in zijn lof op de conservatieve scepsis van Bloem. Bloem sprak in zijn bespreking weliswaar bewondering uit voor de stilistische en compositorische vaardigheden van Remarque, maar maakte ook duidelijk dat hij van Remarques pacifisme niets moest hebben en bekent na enig aarzelen zelfs: 'Ja, Im Westen nichts neues is mij tenslotte door en door antipathiek, zooals alle pacifistische oorlogsliteratuur.'

Mussert

Dat Bloem deze discussie met Nijhoff, die samen met 'De oude mensch' tot de beste stukken in Het onzegbare geheim behoort, niet in zijn Verzamelde Beschouwingen heeft opgenomen zal vermoedelijk met zijn fascistische sympathieën te maken hebben gehad. Volgens A.L. Sötemann werd Bloem in april 1933 lid van de NSB, maar zegde hij zijn lidmaatschap binnen enkele jaren alweer op. De belangrijkste aanleiding daarvoor was een ontmoeting met NSB-leider Mussert die niet bleek te weten wie de Franse dichter Charles Maurras was - de dichter die zowel politiek als poëticaal een van Bloems grote voorbeelden was. Het NSB-lidmaatschap is de dichter echter nog lang nagedragen, wat door zijn halsstarrig reactionaire houding na de oorlog alleen maar werd verergerd.

In Het onzegbare geheim wordt duidelijk dat Bloem niet alleen de bleke administrateur in een hoekje van de Olympus der letteren was zoals die uit de Verzamelde Beschouwingen naar voren komt, en ook niet de dichter met aangeboren Weltschmerz, maar een origineel en enthousiasmerend schrijver, die zich in zijn beste momenten oprecht druk kon maken over wat in zijn ogen literaire of maatschappelijke misstanden waren.

Maar nog belangrijker is misschien dat de lezer van Het onzichtbare geheim langzaam kan navoelen hoe de dichter aan zijn fascistische sympathieën kwam. Bloems 'verlangen' was niet de romantische stijlfiguur van een droevige dichter. Zijn melancholie en onvrede, die in zijn poëzie zo duidelijk naar voren komen, regeerden zijn hele leven, en maakten dat hij zich op politiek terrein uiteindelijk in zulke merkwaardige capriolen wrong. De schrijver van Het onzegbare geheim hunkerde hartstochtelijk naar een ideale wereld, die hij nooit meer ergens vinden zou.