Een bedelmeisje aan de poort

De Franse schrijver Julien Gracq geldt als een van de geheimzinnigste levende schrijvers. In zijn novelle Le roi Cophétua, opgenomen in de bundel La Presqu'ile, komt de hoofdpersoon in een landgoed terecht, dat, zonder dat hij het doorheeft, een graalridder van hem maakt. Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Julien Gracq: Het schiereiland. Vertaling Rosalie Siblesz, uitg. Meulenhoff, 172 blz. Bij De Slegte voor ƒ 14,90.

'.... de roman zó opgevat, zou tot een intellectuele gemeenschap leiden tussen een magisch schrijver en een ideale lezer, tot een geestelijke samenwerking tussen tien over de wereld verspreide personen van superieure intelligentie, tot een esthetisch genot voor de fijnbesnaarden, toegankelijk voor hen alleen.'

J.K. Huysmans, de Franse schrijver van Nederlandse afkomst, laat zijn hoofdfiguur in A Rebours aldus mijmeren over de toekomst van de roman. Over, kortom, een literatuur voor de kleine elite, voor de happy few.

In 1992 verscheen in Nederlandse vertaling La Presqu'ile van Julien Gracq: Het Schiereiland. Met enig ongeduld keek ik uit naar de reacties. Gracqs kale en tegelijk somptueuze stijl is erg moeilijk weer te geven. Ik vond dat de vertaalster daar uitnemend in was geslaagd. Een van de recentste boeken van de laatste Franse surrealist, de enige nog in leven zijnde klassieke auteur die debuteerde vóór de oorlog, was nu ter beschikking van het Nederlandse publiek.

Wie schetst mijn verbazing? Negatie. Volkomen negatie. Niet één bespreking. Geen beschouwing. Nauwelijks verkoop. Had de Nederlandse kritiek misschien Huysmans' woorden in het achterhoofd? Voelde ze zich bij voorbaat buitengesloten? Ik bleef de kranten spellen, voelde me als het kind uit Baudelaires gedicht 'De droom van een nieuwsgierige': Ik was als een kind dat vurig naar het stuk verlangt Vol haat voor het doek, omdat het voor zijn dromen hangt.... Tenslotte kwam de waarheid aan het licht: (-)

Het gordijn was gehaald en ik zat nog te wachten. (Vert. Rein Bloem)Wie is Julien Gracq? De vraag stellen is al bijna indecent. Gracq cultiveert de anonimiteit. Van hem zijn nauwelijks portretten bekend, interviews staat hij mondjesmaat toe, op tv verschijnt hij nooit. Zijn boeken mogen in Frankrijk niet in een pocketeditie verschijnen en de bladzijden moeten met een fijn mesje worden opengesneden. Van deze gereserveerde man weten we slechts dat hij in werkelijkheid Louis Poirier heet, in Nantes is opgegroeid en aan het beroemde Henri IV-lyceum aardrijkskunde heeft gedoceerd. Hij raakt bevriend met André Breton en Ernst Jünger en maakt in mei '40 als luitenant deel uit van het Franse expeditieleger dat Nederland te hulp schiet. In Vlissingen raakt hij na harde strijd van zijn troepen afgesloten, zwerft vermomd enkele dagen door ons land.

In 1981 schrijf ik een brief naar José Corti, zijn uitgever, vraag om een interview. Ik weet dat ik hoegenaamd geen kans maak, zal al blij zijn als ik van een van de geheimzinnigste aller schrijvers een persoonlijk antwoord terugkrijg. Verrassing. Hij wil mij graag ontvangen. Waar heb ik dat aan te danken? Al bij binnenkomst in zijn woning aan de Parijse Rue de Grenelle kom ik de reden van mijn uitverkiezing te weten.

Het blijkt dat Gracq in de meidagen van 1940 zich een nacht in Arnhem heeft schuilgehouden. Hij geeft details: Park Sonsbeek, de passage onder de waterval. De plek waar ik met mijn vriendinnetje afsprak in de vijftiger jaren. Het zij gezegd: geen landgenoot is ooit in Gracqs studeerkamer geweest, en nog stelliger: niemand buiten mij heeft met Gracq over het Arnhemse stadspark gesproken.

In '51 verschijnt, geschreven in de surrealistische traditie, de droomroman Le rivage des Syrtes, waarvoor hem de Prix Goncourt van dat jaar wordt toegekend. Hij weigert, omdat hij geen deel wenst uit te maken van het Parijse literaire wereldje waar tijdens steeds weelderiger diners de literatuur zich vooral in de maag lijkt af te spelen. In 1970 bundelt Gracq drie novellen onder de titel La Presqu'ile, waarvan de laatste, Le roi Cophétua, grote bekendheid kreeg door de laatste film die Delvaux maakte onder de titel Rendez-vous à Bray.

Koning Cophétua is op het oog een simpel en direct geschreven verhaal, gelokaliseerd in tijd en plaats. Het is 1914. Heel Frankrijk is gemobiliseerd en de ik-figuur, afgekeurd wegens een oorlogsverwonding, gaat bij de opening van het verhaal op weg naar zijn vriend, een jachtvlieger, die van zins is een kort verlof door te brengen op zijn landgoed, geïsoleerd gelegen even buiten Parijs. Als de verteller aankomt, constateert hij dat zijn vriend er nog niet is. Een dienstmeisje, even mooi als zwijgend, beduidt hem dat haar meester zich verlaat heeft en zeker zal komen. Hij kan in de salon wachten. Met dit wachten brengt hij de hele dag door. Intussen komen verontrustende berichten binnen over zware bombardementen die de Franse luchtmacht op het Duitse Kaiserlautern heeft uitgevoerd. De suggestie wordt gewekt dat zijn vriend verongelukt is. De laatste trein brengt hem niet mee. Zijn vriend zal die avond zeker niet meer komen. De spanning stijgt. Het avontuur dat zich aandient zal zich 'en huis clos' afspelen. De nederige dienstbode - dea ex machina - ontpopt zich als een absolute meesteres, die hem zwijgend en afstandelijk bij de hand neemt en inwijdt in de liefde. Vanaf de muur, verlicht door kaarslicht - de elektriciteit is uitgevallen - kijken de figuren van Burne-Jones' schilderij King Cophétua and the beggarmaid toe. De ik herinnert zich de daarop afgebeelde legende: een Afrikaanse negerkoning die een diepe minachting koestert voor vrouwen, wordt verliefd op een bedelmeisje dat hij aan de poorten van zijn paleis ziet, en trouwt met haar. De schilder heeft het meisje afgebeeld op de troon, de koning zit aan haar voeten. Het schilderij heeft een onthullende functie. De ik van de novelle beseft dat hij de rol van Cophétua gaat spelen. Bij het ochtendgloren verlaat de ik-figuur het landgoed, zonder afscheid te nemen, zonder langer op de vriend te wachten. Dan beseft hij dat het Allerzielen is. Zijn vertrek wordt gepresenteerd als een vlucht. De man wil het beeld van de vrouw die hem de liefde heeft geopenbaard niet havenen, en wil haar dus niet meer terugzien in de ondergeschikte rol van dienstmeisje.

De novelle heeft een Keltische verhaalstructuur. De verteler is een van de ridders, op zoek naar de graal. Het Kasteel waar zich het avontuur pleegt af te spelen maakt bij aankomst altijd een verlaten indruk, maar er is ook altijd een fee of godin aanwezig, die tot de Andere Wereld behoort en in staat is de held geheimen te onthullen die alleen zij kent. In de Keltische traditie is de nacht voor Allerheiligen het moment dat de wereld van de doden opengaat voor de levenden die er vrij kunnen binnentreden. Het is de vrouw die de man de weg wijst en hem toerust om zijn opdracht te vervullen. Bij Gracq is de vrouw een wezen dat door een grotere reserve aan energie en elan beter toegerust is om het mechanisme van deze wereld te begrijpen dan de man. Zij 'beschikt' over hem en maakt hem mogelijk zich te manifesteren. Na de bevrijdende queeste gaat hij, geïnitieerd, herboren, gezuiverd, weer op weg. Nieuwe avonturen wachten.