Driedimensionale jazz; De Asmat maken voor ieder feest nieuwe kunst

Schrijver en bioloog Tijs Goldschmidt reisde eerder dit jaar naar Irian Jaya, uit hartstocht voor de cultuur van het papoeavolk de Asmat. “De Asmat hebben geen bewaarcultuur. Voorouderpalen, schilden, zieleprauwen en geestenpakken hebben betekenis in de feesten maar zijn die eenmaal voorbij, dan mogen de voorwerpen vergaan.”

Museum für Völkerkunde, Lansstrasse 8, Berlijn (Dahlem). T/m 31 maart 1996. Bronnen: E. Jacobs: Grossbild. Overeenkomsten en verschillen in hedendaagse westerse en niet-westerse kunst. Een tentoonstelling samengesteld door Lucassen. Gemeentelijk Museum Jan Cunen, Oss, 1993. G. en U. Konrad: Asmat. Mythen und Rituale Inspiriation der Kunst. Erize Editrice, Venezia, 1995. K. Helfrich e.a.: Asmat. Mythos und Kunst im Leben mit den Ahnen. Museum für Völkerkunde Staatliche Museen zu Berlin, 1995.

Tijs Goldschmidt verbleef in de Asmat met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Een stuk schrijven over de Asmat met een kop en een staart? Ik zou me er niet graag aan wagen. Bij deze jagers-verzamelaars die tot voor kort nog in de steentijd leefden, is begin tegelijkertijd einde. Zo maar ergens beginnen dan, maar waar? Misschien met dat teken in de lucht: een vlucht jaarvogels die naar links zwenkt, niet langer de oever volgend van de Siretsj, de heilige rivier waarover de eerste Asmat ooit aankwamen. Of met de zingende roeiers in de prauw die met een strak akkoord reageren op het geritsel van een dier tussen de nipapalmen en even later in lachen uitbarsten? Hier (nog) geen prikklok, Monu mean time bestaat niet, hun tijd spoort niet met de onze. Asmat, cyclische denkers, staan op gespannen voet met chronologie. In de moerassen en regenwouden van het zuiden van Irian Jaya wordt lineaire tijd vermalen tot poëzie, muziek en beeldende kunst. Daaraan gaat hij op, de tijd. Veel kunstenaars onder de Asmat, opvallend veel. Zelfs sago wordt gezeefd met dichterlijke concentratie. Asmat spreken een poëtische taal, vertellen elkaar mythen, dansen en zingen. Geïnspireerde beeldhouwers, de wow-ipits hakken houten beelden, ajour bewerkte prauwkoppen en schilden. Ze vlechten geestenpakken, jipae, volgens een concept dat vermoedelijk duizenden jaren oud is. Mentaal en uiterlijk verwant met de rotstekeningen van Australische aborigines, maar dan in drie dimensies.

Logica? Hoezo logica? Een plus een kan in de Asmat zo ongeveer alles zijn, maar nou net niet twee. En bovendien, voordat er kan worden opgeteld, moeten de beelden gemaakt, de gedichten gezegd, de feesten gevierd. De Asmat zijn meesters in het versieren en feest vieren. Feesten die regionaal verschillen in aard en uitvoering, rituele betekenis hebben en soms maandenlang kunnen duren. Ze worden met zorg en veel geduld geregisseerd. Een positivistisch ingestelde bezoeker uit het Westen, geremd door de rede zoals ik, voelt zich hier aanvankelijk leesblind. Maar wie ervoor open staat, leert snel opnieuw lezen, nu associatief, springend van ijsschots naar ijsschots, niet lineair. Misschien te vergelijken met de overgang van proza naar poëzie?

Voordat ik het vergeet nu eerst het slot. Het langwerpige mannenhuis van Basim aan de Casuarinenkust is tamelijk leeg. Het is er schemerig, er zijn geen ramen in het huis. Alleen door de vele deuropeningen valt licht naar binnen. Elke deur correspondeert met een haardplaats die toebehoort aan een uitgebreide familie. De meeste haarden zijn verlaten, maar hier en daar smeult vuur. Ernaast liggen enkele mannen en jongens te dommelen. Om een hanebalk hangt, aan zijn hengsel, een reusachtige platte tas. Er zouden met gemak twee volwassenen in passen. De tas is gevlochten van pandanusblad en in drie kleuren beschilderd: wit (kalk van gebrande schelpen die zijn fijn gestampt), rood (gebrande ijzerhoudende aarde die van ver moet komen) en zwart (houtskool). Wit, rood, en zwart, de belangrijkste drie pigmenten waarmee de Asmat werken. De voorstelling op de tas is abstract symbolisch, geen afbeelding. Slingerende lijnen, golven, water? Het beeld van de tas alleen, scherp in het laatste licht van de dag, de overige vormen in de ruimte vervagen. De tas, een onbesmet beeld in een gonzende ruimte, achter me wordt zacht gezongen. De tas allang geen tas meer. Nadat ik enkele minuten heb staan kijken, schuifelt er een oude Asmat naar me toe. Hij heeft uitstekende jukbeenderen, ingevallen wangen, een baard van drie dagen. Hij draagt een vuile, grauwgrijze korte broek en een gehavend T-shirt. Hij is vel over been alsof hij zo uit een kamp komt. Hij ziet er soewak uit, zoals de Asmat zeggen. Zijn neustussenschot is doorboord, maar hij draagt geen bi-pané, de uit schelp gesneden versiering die traditionele Asmat bij feesten in hun neus wringen. Hij schudt me de hand en zegt in het Nederlands: “Ik ben Cornelis, zeg maar Kees” en vervolgt hij, knikkend naar de hangende tas: “Die tas is mijn vader.”

Zoiets kan gebeuren in de Asmat. Een schoon ding zien en iemand vertelt je daar een clou bij zonder verhaal. Op de vraag: 'What is jazz?' antwoordde Louis Armstrong ooit: 'Them who ask questions, never gets to know.' Stilte. Deze Asmat verwacht geen vragen, neemt vermoedelijk aan dat ik ook wel voel in welke richting ik niet zoeken moet. Ik pak Kees bij zijn schouder en vraag naar zijn Asmatnaam: “Boap...Booo...ap.” Namen zijn hier belangrijk.

Een jaar of tien, elf zal ik zijn geweest. De enorme hand van mijn vader omvatte de mijne voorzichtig. We liepen door de Jacob Obrechtstraat in Amsterdam en ik mocht van mezelf alleen op de smalle arduinen stoeprand lopen. Toen we op het punt stonden de De Lairessestraat te gaan oversteken, zette mijn vader zijn handen aan zijn mond en riep naar boven: “tas, tas.” Ik keek verbaasd omhoog: nooit zegt hij iets en als hij dan eens zijn mond open doet, roept hij een tas. Ik schaamde me. “Daar gaat meneer Tas”, zei mijn vader, terwijl hij mijn hand weer vastpakte: “Hij hoort ons niet. Tas is denken, Tas is concentratie. Als hij mijn schoenen niet gedragen had uit het bos naar het kamp terug, dan had ik hem nu niet kunnen roepen. Zonder schoenen was je verloren, dus roep ik even.” Daaraan dacht ik in het mannenhuis van Basim, terwijl Kees glunderend fluistert: Texas, Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog.

Zieleprauwen

De tas is inmiddels niet meer in de Asmat, maar wordt met zorg bewaard in het depot van het Museum voor Volkenkunde te Rotterdam. De tas is geen vader meer, maar wetenschappelijk materiaal geworden. Wie de juiste vooropleiding heeft, mag hem opmeten. De lengte delen door de breedte, hem vergelijken met andere tassen. Numerieke tassentaxonomie bedrijven. Dat kan weinig kwaad, denk ik. Overigens is de tas de enige niet die niet meer in de Asmat is. De Asmat hebben geen bewaarcultuur. Voorouderpalen, schilden, zieleprauwen, geestenpakken etc. hebben betekenis in de feesten maar zijn die eenmaal voorbij, dan mogen de voorwerpen vergaan. Soms is dat zelfs voorwaarde voor de voltooiing van het feest. Asmat bewaren beelden in hun hoofd, niet stoffelijk. Steeds opnieuw maken ze dezelfde beelden. De wow-ipits onder hen hebben een hoofd boordevol voorbeelden, letterlijk. Moeiteloos improviserend genereren ze variaties op deze voorbeelden, niet te stuiten. Asmatkunst is driedimensionale jazz.

Enkele weken geleden zag ik in de etalage van het antiquariaat van de gebroeders Eigenbrod* te Amsterdam een catalogus staan van een Asmattentoonstelling in Berlijn. Ik wist ervan en wilde erheen. De gebroeders Eigenbrod zaten als Gilbert en George, gekleed in tweedjasjes, aan weerszijden van een glazen tafel. Precies zo had ik ze, voor mijn vertrek naar de Asmat, achtergelaten. Ze nipten beurtelings aan hun thee, herkenden me en wuifden vriendelijk.

“Weer terug?”, zeiden de gebroeders Eigenbrod in een adem. “Ja en nee”, antwoordde ik diplomatiek. “Mag ik de catalogus uit Berlijn zien?” “Maar natuurlijk”, zei Eigenbrod de eerstgeborene en vervolgde, in de catalogus bladerend: “Het is jammer dat het niet meer bestaat, Asmat. Kijk, dit schild is het enige behoorlijke stuk op die hele tentoonstelling. Memelsdorf, voor 1909 verzameld. Dat is patina, daar ga ik direct plat voor. Dat schild was al stokoud toen het verzameld werd. Dat zie jij zelfs.” Eigenbrod de jongere valt zijn broer bij: “Bewezen negentiende eeuws. Steengesneden, gegarandeerd pre-contact. Lang voordat pater Geurtjens op zijn strandkano langs de Arafurazee fietste. Nee, dat maken ze niet meer, helaas.” Ik probeerde nog: “Asmatcultuur is levend. Feesten moeten gevierd, beelden moeten gemaakt. Een kwetsbare cultuur, dat wel. Nog altijd worden Asmat gedwongen, desnoods met geweld, voor een habbekrats hun eigen bos om te kappen. Zonder bos zijn ze nergens.” De oudste Eigenbrod weer: “Afschuwelijk, echt geen thee?” “Het enige alternatief om aan geld te komen is beelden snijden. Er zijn nu veel meer snijders dan vroeger. Er wordt aan de lopende band geproduceerd voor de verkoop, kunstnijverheid. Maar een goede wow-ipit maakt 's morgens even een beeld voor de verkoop zodat hij het schoolgeld voor zijn dochter kan betalen en begint de volgende dag aan een beeld voor een feest. Die laatste springen vaak uit. Dat is bewezen eigentijdse kunst.”

Eigenbrod de jongere: “Eigentijds, maar niet zoals het hoort. Dat weet jij net zo goed als ik.”

Ik schaf de catalogus aan, neem afscheid en verlaat de winkel: “Waarom vragen ze niet hoe het daar is. Je zou haast gaan denken dat ze er belang bij hebben dat die cultuur niet meer bestaat, natuurlijke historie is geworden?”

Boomhuisbewoners

In 1971 trekken twee volledig bevrijde westerlingen midden in het regenwoud van de Noord-Oost Asmat, het Brazzagebied, hun kleren uit. Ze lopen met een aantal dragers het bos in richting boomhuizen waar hoog in de lucht papoea's leven die vermoedelijk nooit eerder blanken zagen. De westerlingen willen naakt first contact maken in de veronderstelling dat ze zonder kleren minder angstaanjagend zullen zijn dan met. Dat is de vraag, want Asmat zijn meesters in body art. Ze veranderen gemakkelijk van gedaante, worden dieren of geesten door zichzelf te tooien met veren, bladeren, schelpen. De metamorfose die de westerling ondergaat door kleren aan te trekken, zou voor de Asmat wel eens minder schokkend kunnen zijn, dan we geneigd zijn te denken. Wisten ze in de verste verte wat ze zagen, deze boomhuisbewoners?: Een onder rabbinaal toezicht besneden joodse missionaris uit New York en een Duitse zoöloog, geïnteresseerd in de verspreidingspatronen van paradijsvogelsoorten, maar gefascineerd geraakt door de Asmat.

Missionaris en zoöloog maakten zich, met vele anderen, zorgen over de dreigende teloorgang van de Asmatcultuur en hoopten iets te kunnen doen voordat het te laat zou zijn. Juist geen zieltjes winnen, maar condities scheppen om de Asmat zelf te laten kiezen hoe ze verder willen. Dat er de komende jaren veel zou gaan veranderen, in hoog tempo, stond vast. Er werd een begin gemaakt met het verzamelen van houtsnijkunst, etnografische voorwerpen en antropologische informatie. Nu, na 25 jaar, is dit de grootste verzameling eigentijdse Asmatkunst ter wereld geworden, grotendeels bijeengebracht door Gunther en Ursula Konrad. Een selectie eruit, aangevuld met Asmatkunst uit het Museum für Völkerkunde, is op het ogenblik te zien in Berlijn.

Een gevoel van vervreemding bij binnenkomst in de tentoonstelling. Tientallen schilden uit de Noord-Oost Asmat staan zo dicht op elkaar in een hoek van de ruimte dat ze niet allemaal goed te zien zijn. Mooie schilden zitten er tussen, sommige met labyrintische insnijdingen, andere seriëel. Eén snijder heeft, op een haar na, de ritssluiting uitgevonden. De tanden van de ritssluiting zijn alternerend oranjerood en wit ingekleurd, het beeld springt op en neer. Als je er langer naar kijkt verandert een schild langzaam in een personage, het is tegelijkertijd een mens. Maar wat hebben die speren te betekenen die schuin achter de schilden op de grond staan geplant? De tentoonstelling is kennelijk ingericht door etnologen, niet door kunstenaars, of kunstliefhebbers. Ik vind dat een geslaagd werk van een Asmatkunstenaar het verdient te worden gepresenteerd als een Westers kunstwerk, ook al is het gebruik van de beelden en voorwerpen in de Asmat anders. Ik wil Asmatkunst zien, omdat die aansluit bij eigentijdse westerse kunst waarmee ik affiniteit heb, niet uit antropologische interesse voor een ver volk. Daar staat een replica van het mannenhuis van Atsj. Dat wil zeggen de helft ervan, met authentieke bewerkte haardpalen waaronder een erg mooie waarin mensenkoppen zijn gesneden die Romaans aandoen. Op de grond ligt een beeld in statu nascendi, omringd door een ijzeren bijl, een stel beitels en een dolk. De wow ipit is zeker even plassen? Doordat de mensen, de geluiden, de geuren ontbreken, werkt deze transplantatie voor mij niet. Ik weet wel dat me egocentrie en etnocentrisme verweten kan worden. Het zij zo, ik zal nooit een Asmat worden. Intussen komt zelfs de bezoeker die niet houdt van een antropologische manier van representeren op deze tentoonstelling aan zijn trekken. Tussen de veelheid van etnologische attributen, knetteren de echte beelden, zoals bijvoorbeeld de umu-palen uit de Noord-West Asmat. Merkwaardig vind ik dat de kunstnijverheid die Asmat voor de verkoop maken, gepresenteerd wordt als 'moderne kunst', wat dat ook moge zijn. Toch ben ik opgetogen over deze tentoonstelling, de bijbehorende catalogus en het tegelijkertijd uitgekomen Asmat, Mythen und rituale Inspiration der Kunst. Een bezoek aan deze tentoonstelling sterkte me in de overtuiging dat de Asmat nog veel van hun culturele identiteit hebben weten te behouden. Als we niet oppassen overleven ze ons nog.

*De naam van de gebroeders Eigenbrod is fictief om redenen van privacy.