De troost van een bevrijdende vorm

Antoine Bodar, de veelbesproken priester die nu uit zijn kerk, De Krijtberg in Amsterdam, verdreven wordt, heeft zich altijd fel uitgesproken tegen vernieuwing in de kerk, tot ergernis van velen. Voor hem geen gitaren en jazzdiensten, geen nieuwe liedteksten en vooral geen creativiteit. Hij vindt, zoals hij onlangs nog in een interview in Trouw uitlegde, dat dat maar van God afleidt. Wie creatief wil doen is met zichzelf en zijn bedenksels bezig, en niet met datgene waar de kerk voor bedoeld is. “Vormen”, zei hij, “maken vrij.”

Het is een uitspraak die soms regelrecht lijkt in te druisen tegen het gevoel: vrij dat is doen wat je hart je ingeeft; bij grote emoties is er juist geen behoefte aan vormen en voorschriften, dan wil men zich direct uiten. Toch heeft Bodar gelijk - ook buiten de kerk. Onlangs nog moest ik het, tegenstribbelend en wel, erkennen, bij de begrafenis van Yitzhak Rabin.

Van het ene moment op het andere had Leah Rabin geen man meer. Zaterdag had ze nog met hem gepraat, over straat gelopen, samen gegeten, hem gezoend laten we hopen, zondag liep ze langs een gesloten kist op een plein vol mensen, maandag zat ze op een stoel toespraak na toespraak aan te horen van belangrijke mannen uit de hele wereld.

Het leek niet meteen de manier waarop je je geliefde zou willen begraven. Al die hoeden. Al dat hoogwaardige. Al die soldaten om een kist die meteen al zo onbereikbaar ver weg was. Want deze kist behoorde aan de hele wereld - sommige posities in het leven laten geen intimiteit toe op momenten dat die voor anderen vanzelfsprekend is. Men rouwt gadegeslagen door een camera, overeind gehouden door een protocol, bewaakt door een scherpschutter, omarmd door de president van Amerika.

Het leek nog extra tragisch dat Leah Rabin, toch al slachtoffer geworden van een functie, nu ook nog tot het laatste moment onderworpen was aan plichtmatige vormen. Maar hoe langer het duurde en hoe meer sprekers over 'vrede' en 'nooit vergeten' en 'met u rouwen' en 'de toekomst toch hoop' en 'nooit verloren' spraken, hoe meer dit alles van een grote troostrijkheid werd: de wereld kreeg de gelegenheid om deze ene man te bewenen en om om zijn vrouw heen te gaan staan. Langzaamaan leken de vormen niet langer een keurslijf waar een weduwe in geperst werd, maar werden zij de mogelijkheid om, hoe stamelend en onmachtig ook, deze dood een plaats te geven.

Natuurlijk was het verdriet van de vreemdelingen niet het verdriet van de vrouw, maar het was goed dat ook zij hun verdriet hadden en daar onder de druk van uiterste protocollaire beheersing, uiting aan gaven. Ze hadden dat op geen enkele andere manier kunnen doen dan door daar te staan, hun beklag gegoten in de taal die daarvoor is.

Het was vanzelfsprekend ook goed dat er nog een kleindochter sprak die het niet over de dood van een staatsman, maar over de dood van een grootvader had, over een man die dichtbij was geweest - maar ook haar toespraak kon alleen bestaan dankzij het begrafenisritueel. Nooit zou zij immers in de huiskamer op deze toon tegen haar grootmoeder gesproken hebben, want hoewel zij zich richtte tot de overledene, waren haar woorden bedoeld voor wie achterbleef. Dat zij de engelen zou smeken om goed voor haar grootvader te zijn - zelfs in die woorden klonk de echo van een taal die al bestaat. “Want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden,/ dat zij u behoeden op al uw wegen;/ op de handen zullen zij u dragen,/ opdat gij uw voet niet aan een steen stoot.”

En dan waren er verder nog de religieuze rituelen, de klachten die al eeuwen klinken, en die juist daardoor het bijzondere van deze ene gebeurtenis opnamen in een groter geheel.

Er blijft natuurlijk veel rampzalig afstandelijks aan zo'n grote staatsbegrafenis. Maar toch maakte de vorm veel draaglijk van wat anders misschien wel nog ondraaglijker was geweest. De misluktste begrafenis die ik ooit bijwoonde was een crematie waarbij van de aanwezigen niets anders werd gevraagd dan er te zijn - geen woord viel er, uit luidsprekers klonk onbestemde muziek, hier en daar een snik, het gefrummel aan een zakdoek, en na een minuut of tien hield het gewoon allemaal weer op. Vormeloos. En allesbehalve vrij makend voor de rouw waarvoor we gekomen waren. Dan kan veel beter koning Hussein zeggen dat hij nooit had kunnen denken dat hij voor deze gelegenheid naar Jeruzalem zou komen.