De culturele revolutie kwam uit de spuitbus; G. Brinkgreve was van 1958 tot 1967 gemeenteraadslid voor de KVP in Amsterdam.

In zijn beschouwing 'Door de sixties werd Nederland volwassen' (NRC Handelsblad, 28 oktober) concludeert Hubert Smeets: “In één generatie heeft Nederland een radicale metamorfose ondergaan: van een dorpse agrarisch-industriële en quasi-burgerlijke maatschappij tot een suburbane, commerciële en volwaardige burgerlijke marktsamenleving”. Dat was de overwinning van de geboortegolvers die, Maagdenhuis bezettend en tomatengooiend naar acteurs, zich een weg baanden naar de comfortabele posities die zij nu tot ergernis van Smeets, hardnekkig verdedigen tegen nieuwkomers. Smeets illustreert dit met verwijzing naar ensembles die ten gehore brengen wat Karel van het Reve in zijn bundel Luisteraars! aanduidt als “stampmuziek”. Daar hoef je niet naar te luisteren, je kunt, zij het met moeite, de oren dichthouden.

In diezelfde bundel staat een stukje over een ander fenomeen van de veroverde vrijheid, waarmee iedere stedeling dagelijks wordt geconfronteerd. “Behalve radio, televisie, krant en spandoek is de laatste jaren ook de spuitbus in gebruik gekomen als middel om je mening te uiten. Vele Amsterdamse muren bevatten inscripties van verf die per spuitbus is aangebracht”.

Van 't Reve vertelt verder hoe een meisje, Nanda, in de dagen van de krakersrellen “werd vastgehouden omdat zij, zo luidde de beschuldiging, met een spuitbus een bepaalde leuze op een bepaalde muur had gespoten. Ze kwam voor de rechter. Haar geval was korte tijd een kleine cause célèbre. Menig nog maagdelijk plekje op Amsterdamse muren werd door haar medestanders bespoten met de leuze “Nanda moet vrij”.

In De Groene Amsterdammer werd in prijzende zin over haar gespuit geschreven. Wegens gebrek aan bewijs werd zij ten slotte vrijgesproken en daarmee verdween Nanda uit het nieuws. Maar ze kwam terug. In een volgend Stedelijk Jaarverslag werd vermeld dat Nanda op de muur had gespoten. “Uit dat jaarverslag is toen weer een nieuwe rechtszaak ontstaan, dit keer niet de Staat der Nederlanden tegen Nanda, maar Nanda tegen de stad Amsterdam: ze eiste het in beslag nemen van de nog niet verspreide exemplaren van het jaarverslag, want zij voelde zich aangetast in haar eer en goede naam.”

De rechter oordeelde dat de desbetreffende tekst inderdaad onjuist was, maar het in beslagnemen van de oplage ging hem te ver. “En”, zo besluit Van 't Reve, “daar had hij mijns inziens gelijk in. Want echt aangetast in haar eer en goede naam was Nanda door dat jaarverslag natuurlijk niet. In haar kringen immers is dat spuiten juist iets ontzettend moois. Hoe meer je spuit en kraakt hoe beter het is voor je eer en goede naam”.

En daar zitten we nu mee, een volgekalkte stad, niet eens meer besmeurd met leuzen maar met merktekens, graffiti, in onze volwassen suburbane marktsamenleving. Professor Zijderveld noemde eens de heisa van de generatie der Maagdenhuisbezetterij “een uit de hand gelopen kinderpartijtje”. Wel vér uit de hand gelopen en niet zó indrukwekkend als Smeets het voorstelt.