Berio stoeit graag met verborgen hints

ConSequenze, festival rond Luciano Berio. Concerten door Abbie de Quant (fluit), Pauline Oostenrijk (hobo), Teodoro Anzellotti (accordeon) en vele anderen. Gehoord: 6, 8/11 Vredenburg Utrecht; 9/11 De Doelen Rotterdam.

Zaterdagavond wordt ConSequenze afgesloten met een 'Nacht van Berio' in de Rotterdamse Doelen.

'I like Ike' - dit voorbeeld van succesvolle alliteratie gaf Luciano Berio gisteren op zijn masterclass in het Rotterdams Conservatorium, teneinde te verduidelijken hoe de grootst mogelijke samenhang in een compositie kan worden bereikt. Want ook voor muziek geldt, dat een min of meer herkenbaar blijvende figuur een belangrijk referentiepunt kan zijn. Een fraai voorbeeld geeft de Sequenza VII voor hobo, een van die solostukken waaraan het Berio-festival ConSequenze is gewijd. Eén noot (verwijzend naar de initialen van Heinz Holliger) is voldoende om houvast te bieden.

Maar Berio stoeit ook graag met meer verborgen hints, zoals bijvoorbeeld een verwijzing naar de Engelse hoorn-solo uit Wagners Tristan und Isolde. Woensdag gaf Pauline Oostenrijk in Muziekcentrum Vredenburg een schitterende uitvoering van deze Sequenza. Het moest razend muzikaal klinken, maar helaas viel de versterking in de Kleine Zaal minder gelukkig uit. Het gevaar ontstaat dan dat de hobo helemaal als een Engelse hoorn gaat klinken.

Een aardig idee was het om Nederlandse componisten te vragen voor een solo-complement bij Berio's Sequenza's. To Pauline O van Louis Andriessen bleek één grote etude, gebaseerd op de steeds terugkerende lange noten uit de middeleeuwse sequentia Lauda Sion, Andriessens alliteratie.

Voor Berio geldt overigens dat hij het begrip sequenza uitsluitend interpreteert in de betekenis van een harmonische sequens, waarbij het gaat om de opeenvolging van harmonische klankvelden als belangrijkste sturingsprincipe. Heel duidelijk is dat te horen in Sequenza VIII voor viool in de vorm van één Oosteuropese fidelextase rond de tonen b en a. Aan de tonen c en h (b) was Berio niet toegekomen, immers met een verwijzing naar Bachs Chaconne lag een B-A-C-H-citaat voor de hand. Maar zo simpel componeert Berio nu ook weer niet.

Evenals Andriessen klonk Diderik Wagenaars La Caccia voor trombonesolo als een groot oefenstuk, met aan het eind een verrassing: een merelmotiefje, drie octaven lager en vertraagd uitgevoerd, want een trombone blijft nu eenmaal een logge zeekoe. Soberheid in de uitgangspunten was troef en zo vormde een motief van slechts drie noten het uitgangspunt voor Theo Verbeij's Hommage II voor altvioolsolo, elegante donker getinte muziek. Helaas gaf altiste Sabrina Giuliani vooral Berio veel intensiteit mee. Ook voor violist Carlo Chiarappa gold, dat hij als het ware ontwaakte bij de partituur van zijn landsman.

Het spectaculairst was ongetwijfeld Dwaallicht van Willem Jeths, dat wat theatraliteit betreft op Berio's Sequenza I voor fluit leek aan te sluiten, zij het dat Jeths' dramatiek zeker geen Latijnse inslag koestert. Berio werkt altijd met een ironische ondertoon die Jeths' sobere passie vreemd is. Vertwijfeling is het thema van zijn drama voor fluit, tape en kunstobject in de vorm van een transparante hoge doos bespannen met folie.

Zolang de fluitiste (Abbie de Quant in grootse vorm) buiten de doos speelt blijft de muziek vrij mild, maar eenmaal in die kast ontstaat het echte drama. Boven een bourdon op de tape klinken wilde slierten in de fluit gevolgd door striemende akkoorden weer op de band. Tenslotte jagen fluit en tape elkaar op in een virtuoos hysterische roep die naar vernietiging voert. In dit soort passages is Jeths op zijn best. Jammer dat het naspel, in de vorm van enkele chromatisch dalende loopjes van achter de coulissen gespeeld nogal flets uitvalt, zoals ook een gedicht van Hans Favereij een opgeplakt element blijft.

Jeths' drama - een soort afgeleide van zijn opera over Mathilde Willink - is gebaseerd op kwint-opeenstapelingen. In Berio's Sequenza 13 - zijn nieuwste voor accordeon, gisteravond in De Doelen in première gebracht - zijn het dalende kwartfiguren die de sfeer en de muzikale alliteratie bepalen. Niets is er meer over van dat brutale buikorgel (Berio: “Een harde accordeon klinkt naar Bahnhof”). Zachte tremoli zorgen voor een melancholieke waas: muziek als een landschap bezien door een beslagen ruit, sensueel glooiend. Het is verleidingskunst in zachte contouren. Al die herfstige harmonieën waren zeer besteed aan Teodoro Anzellotti, niet het type van een pralende virtuoos maar dat van een integere musicus.