Arte habitable

Arte Habitable, Deurloostraat 35, Amsterdam. T/m 10 dec. Dag., alleen na afspraak, tel. 020-6793951.

Een meisje in een knalgeel regenpak doet de deur open. Had u niet even kunnen opbellen, vraagt ze in het Engels. Onaangekondigd bezoek is niet welkom in de Deurloostraat 35 in Amsterdam, want daar is geen galerie gevestigd, daar staat een huis. De begane grond wordt deze maand gehuurd door vier studenten van de Rijksakademie, die vrijblijvende omgang met kunst willen vermijden. In het huis tonen ze geen kunst, ze leven erin. Dat is van buiten al te zien: achter de ramen van de begane grond hangen drie grote dozen, waarin bedden zijn opgemaakt. De dozen, 'emergency architecture', zijn ontworpen door de Spaanse Alicia Framis. Zij en Lin de Mol slapen in zo'n doos; die van Framis is bekleed met klimop-behang, De Mol groef in de piepschuimen muur een nis waarin ze een Mariabeeldje plaatste. Hun persoonlijke bezittingen hangen in plastic zakken onder de doos of zijn opgeslagen in kartonnen dozen. Het derde bed is leeg; dat is bestemd voor gasten. Twee van de vier kunstenaars beslisten na een proefperiode dat zij toch liever thuis woonden. Maar ze zijn, net als de andere twee in regenpak gehuld, wel vaak aanwezig. De regenpakken zijn bijvoorbeeld een bijdrage van Michael Nitschke aan het experiment: ze bieden de kunstenaars bescherming, het zijn eigenlijk een soort draagbare huizen. Patricia Spoelder veranderde de kruipruimte onder de voorkamer in een tuin. Ze bedekte de grond met grasmatten. De 'activiteiten' (performances zonder publiek) die de vier in het huis uitvoerden, zijn in de woonkamer op video te bekijken.

De meest poëtische bijdrage komt van Lin de Mol. Zij veranderde de twee achterkamers in een wachtkamer en een Lover's Room. In de witte wachtkamer liggen piepschuimen objecten waarin ruimte voor twee knieën uitgespaard. Uit een buis in de muur druppelt zoet water op een spiegel. Likkend en knielend kan men hier wachten op, ja waarop? Misschien op toegang tot de belendende Lovers Room: daar komt het zoete water vandaan dat via een stelstel van buizen op samengeperste blokken suiker valt. Alles in de Lovers Room is wit, tot en met de handdoeken en het papieren beddegoed dat keurig opgevouwen in de kast ligt te wachten, tot De Mol een paartje uitnodigt dat op de matrassen op de grond, onder de klamboe, een nacht mag doorbrengen. In de badkamer hangt een tampon- en een condoomautomaat.

Spoelder, Nitschke, Framis en De Mol doen een dappere, bloedserieuze en arrogante poging om te kijken wat kunst buiten het geijkte circuit van musea en galeries kan betekenen. Voor de kunstenaars is het een indringende ervaring, en voor de bezoekers kan het dat ook zijn. De afstand tussen kunst en kunstenaar is voor even opgeheven: de kunstenaars leiden hun gasten zelf rond en nodigen ze misschien uit voor nachtje in de Lover's Room. Het experiment wekt ook bevreemding op. Framis beweert bijvoorbeeld dat ze kunst en maatschappij dichter bij elkaar wil brengen. Ze heeft haar hoop gevestigd op de buurtbewoners, die ze middels het project met elkaar in contact wil brengen. Maar zo wordt kunst slechts een alternatief voor een praatje over het weer.