Zuid-Afrika op weg naar onderwijsrevolte

Growth through redistribution is het motto van het nieuwe Zuid-Afrika. Meer doen met minder geld, betekent dat in de praktijk voor alle beleidsterreinen. Ook voor het hoger onderwijs. Zo wordt bijvoorbeeld de instroom van studenten enorm vergroot - van ruim 500.000 nu tot naar verwachting een miljoen in het jaar 2005 - zonder dat er geld is om nieuwe onderwijsinstellingen te openen.

'We zullen efficiënter moeten gaan werken, en dat kan want het huidige systeem is erg verspillend', zegt T. Moja met een optimistische glimlach. Moja is uitvoerend directeur van de National Commission on Higher Education (NCHE), februari dit jaar door president Mandela in het leven geroepen met de opdracht alle aspecten van het sterk verbrokkelde hoger onderwijs in Zuid-Afrika in kaart te brengen en de minister van onderwijs te adviseren bij zijn herstructureringsbeleid.

Naast deze omvangrijke taak, waarvoor de commissie tot december 1996 de tijd heeft, is de NCHE ook de aangewezen instantie om op het gebied van hoger onderwijs te onderhandelen met de Europese Commissie, die op uiteenlopende terreinen wil gaan samenwerken met Zuid-Afrika. Op de campus van de Universiteit Twente discussieerden delegaties van de NCHE, de Europese Commissie en van de Vlaamse, Nederlandse, Zweedse en Deense ministeries van onderwijs onlangs over de vraag hoe samenwerking op het gebied van hoger onderwijs eruit zou kunnen zien.

In de ontwikkeling van nieuwe hoger onderwijsbeleid kan Europa een rol spelen, denkt Moja. 'Wij kunnen ons in het hervormingsproces niet alle stadia veroorloven die het Europese hoger onderwijs heeft doorlopen. We moeten haast maken. Daarbij kunnen we leren van de ervaringen van Europa. Wat we niet willen, is dat Europa ons voorschrijft hoe we het moeten doen. We hebben een eigen visie. Alleen, we hebben assistentie nodig bij de uitvoering ervan. Daarbij streven we niet naar structurele financiële steun. We willen geen hulp die ons naar afhankelijkheid leidt.'

Economische motor

Het is Europa niet ontgaan dat Zuid-Afrika weleens de economische motor van heel Afrika zou kunnen worden. Na de algemene verkiezingen in het land, april vorig jaar, is het aantal import- en exportrelaties op het continent explosief toegenomen. B. Cardiff, die namens het directoraat-generaal onderwijs van de Europese Commissie het seminar bijwoonde, meent dat ook samenwerking op het gebied van hoger onderwijs van belang kan zijn voor Europa. 'Zuid-Afrika is natuurlijk interessant omdat je er niet alleen de slechtste maar ook de beste universiteiten ter wereld hebt.' De beste, dat waren de voormalige witte universiteiten, 'oh yes', fluistert Cardiff met gedempte bewondering.

Op uitnodiging van de NCHE bezocht Maassen juni dit jaar met twee collega's van het CSHOB (het Centrum voor Studies van het Hoger Onderwijs Beleid) Zuid-Afrika om een indruk te krijgen van de problemen in het hoger onderwijsveld. Het viel Maassen op dat de opheffing van de scheidslijnen tussen voormalige zwarte en blanke hoger onderwijsinstellingen, moeizaam verloopt. Zo zag hij de hekken tussen twee aan elkaar grenzende campussen van een zwarte en een blanke Technikon - vergelijkbaar met hogescholen - in Durban nog kaarsrecht overeind staan. 'Er wordt wel samengewerkt maar voor volledige integratie is het blijkbaar nog te vroeg. Zoals je altijd ziet bij fusies zijn de betrokkenen bang om vertrouwde structuren te doorbreken, onzeker over wie er straks de baas wordt.'

Een ander probleem binnen de discussie over herstructurering van het hoger onderwijs, waarin alle groeperingen van conservatief-blank tot radicaal-zwart zijn vertegenwoordigd, is volgens Maassen 'de radicalisering van een deel van de studentenbeweging'. Was het vroeger het politieke systeem waartegen studenten in opstand kwamen, nu zijn het de onderwijsinstituties. Het verbale gevecht met bestuurders is in de plaats gekomen van gewelddadige confrontaties met leger en politie.

In hun strijd voor vergaande inspraak 'dreigen studenten uit het oog te verliezen dat de kwaliteit van het onderwijs en de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt nu belangrijker onderwerpen zouden moeten zijn dan meebeslissen over de manier waarop het gras van de campus gemaaid wordt', vindt Maassen. Maar Moja, die zelf tijdens haar studie onderwijskunde aan de 'zwarte' University of the North politiek actief was, noemt de bijdrage van studenten in de discussie over herstructurering juist 'constructief'. 'Ik voel me verbonden met de studenten. Het zijn degenen die niet naar studenten luisteren die bang zijn dat zij het hervormingsproces zullen frustreren. Je moet ze serieus nemen, dat maakt alles anders.'