'Wij kolonisten worden uitgekotst'

TEQOA, 9 NOV. Shulamit wordt al de hele week door de politie opgebeld. “Dat komt”, roept ze verontwaardigd, “doordat ik in een nederzetting woon.”

Elke dag rijdt zij over de bergen van de nederzetting Teqoa naar haar werk in Jeruzalem (20 minuten), in een auto met bumperstickers erop. Die stickers had ze erop geplakt zodra de Israelische premier Yitzhak Rabin het autonomie-verdrag met de Palestijnen had getekend, nu twee jaar geleden. Er is er een met Rabin in Gestapo-uniform erop, een met de tekst “Rabin, moordenaar” en nog zowat. Nooit heeft er een haan naar die stickers gekraaid. Nu wil de politie ineens dat ze ze eraf haalt, wegens belediging van de vermoorde premier. Sinds vorige week staat er een hoge boete op dit soort kreten. Shulamit heeft nu onschuldige plaatjes over de ergste stickers heen geplakt. Haar echte naam luidt anders. Ze wil zelfs niet dat haar beroep in de krant komt. Maar ze heeft er wel barstende hoofdpijn van gekregen, want verstoppertje spelen daar heeft ze een broertje aan dood. Ze is nooit eerder zo bang geweest. Op de Israelische televisie worden dezer dagen recente filmpjes getoond van woedende kolonisten op de Westelijke Jordaanoever die hun nederzetting wilden uitbreiden en toen op boze Palestijnen stuitten. Je ziet dan de kolonisten op een naakte heuveltop vol stenen zitten, omringd door Israelische soldaten die de taak hebben hen eraf te krijgen. Op die filmpjes is Yigal Amir te zien, de jonge man die zaterdag Rabin vermoordde. Hoewel Amir zelf niet in een nederzetting woonde, sympathiseerde hij zo sterk met de kolonisten dat hij altijd de laatste was, die hevig tegenstribbelend, van de berg moest worden gesleept. In de worstelende kluwen soldaten en kolonisten verschijnen ook de blonde krullen van Shulamit vaak voor de camera. Shulamit is lid van de 'Vrouwen in groen', een club vrouwen die actie voert tegen de “uitverkoop van joods land”. “De televisie”, roept zij, “zendt die films uit om ons kolonisten in verband te brengen met de moordenaar.”

Shulamit is er zeker van dat ze last gaat krijgen van de films. Deze week moeten de 'Vrouwen in groen' immers ook voor de rechter verschijnen, omdat ze onlangs met potten en pannen lawaai had staan maken voor Rabins residentie. Sinds de moord op Rabin heeft de stichtster van de 'Vrouwen' al twee telefoontjes gehad van een anonymus, die dreigde haar te vermoorden.

Shulamit beantwoordt niet direct aan het oerbeeld van de militante kolonist. In haar witte t-shirt en flodderbroek ziet ze er eerder uit als een bedaard geworden hippie. Ze oogt jong voor haar 45 jaar, is levendig en gevat. Ze rechtvaardigt haar bestaan als kolonist door de Tora te citeren (“Dit is joods land”), maar religieus is ze verder niet. Ze wil dat haar drie kinderen godsdienstonderwijs krijgen, maar ze moeten zelf weten wat ze er later mee doen. Van de 200 families in Teqoa is de helft heel gelovig en de andere helft nauwelijks - bewust, zegt ze, want de grootste kloof die in Israel overbrugd moet worden is die tussen religieuzen en seculieren. In Teqoa wonen Olim, joodse immigranten, vooral academici en vooral uit Amerika (zoals Shulamit) en Rusland. De Amerikanen waren er eerst, en dat is te zien. Teqoa zou zo ergens hoog in Arizona kunnen liggen. Terwijl de meeste dorpen en steden in Israel rommelig ogen, chaotisch en niet zelden in staat van permanent verval, is Teqoa keurig aangeharkt. Als er stoplichten zouden staan, zou iedereen netjes voor het rood stoppen. Alle huizen zijn vrolijk geverfd, iedereen groet iedereen. “Hi, Bruce!” Alle inwoners zijn even trots op de paddestoelenkwekerij en het kaasfabriekje, ook al zijn die in particuliere handen. Binnen de hekken van Teqoa zegt niemand 'ik', alles is 'wij'. Net als in de andere nederzettingen wordt het aantal inwoners niet in individuen gerekend, maar in families. Families zijn naar goed joods gebruik, bewust de kern van de nederzettingen. Gemeenschapszin, lotsverbondenheid - nederzettingen zijn traditionele enclaves in een wereld die verloedert. Terwijl Shulamit achter een schaal chocoladekoekjes zit te kankeren op de linkse regering, komt er door de tuin een buurman binnen die een boor uit de kast haalt en pas bij het weggaan iets zegt. “Dat is Jack,” zegt Shulamit. “Jack maakt muziek. Hé Jack, ga je vanavond nog mee naar Israelisch volksdansen?”

Shulamit en haar man zijn als de dood dat er een burgeroorlog uitbreekt in Israel. Joden tegen joden, God verhoede het. Daarom houden zij zich dezer dagen gedeisd. Geen demonstraties voorlopig, geen sit-ins voor het huis van Shimon Peres, geen blokkades van de wegen op de Westelijke Jordaanoever. Maar ze hebben wel drie pistolen in huis. “Er zijn tegenwoordig twee soorten Israeliërs,” zegt Shulamit bitter. “Israeliërs en kolonisten. Wij kwamen in '79 naar Israel om erbij te horen. Nu horen we er wéér niet bij. We worden uitgekotst. Er zijn hier geen kranten te krijgen. Niemand komt meer bij ons op bezoek. Als we een ijskast bestellen, moeten we steeds hogere afleverkosten betalen. Als we in Jeruzalem naar de supermarkt gaan, worden we als stront behandeld. Dat maakt ons steeds radicaler. Toch zullen wij niet degenen zijn die de confrontatie beginnen.”

Het waren, ironisch genoeg, Rabin en Peres die Teqoa in 1977 stichtten. De berg was leeg, er hoefde geen Palestijn voor te worden weggejaagd. “Wij zullen hier altijd blijven”, sprak Rabin bij die gelegenheid. Twee jaar geleden was het hetzelfde duo dat de kolonisten de schok van hun leven bezorgde. Er mocht geen huis meer worden bijgebouwd. Voor Shulamit is dat onverteerbaar - niet alleen omdat “dit land van ons is” en niet van de Palestijnen, maar ook omdat joden niet tegen stagnatie kunnen. Joden ontwikkelen zich, vindt ze, dat is een van de typische trekken van het volk. “Zet een jood met zijn kop tegen het plafond en hij wordt gek.” De nieuwe Russische immigranten die twee jaar geleden in caravans waren gehuisvest in afwachting van een nieuw huis in Teqoa zitten er nog steeds. Er zijn hekjes omheen gezet, tuintjes aangelegd en een speeltuin voor de vele kinderen. De kolonisten zijn nu bezig echter huizen om de caravans heen te bouwen. Een caravan met muren er omheen en een rood puntdak erop is nog steeds een caravan, vinden ze, dat is niet echt illegaal. En wat dan nog - niemand die het ziet, op deze ijle hoogte aan de rand van de woestijn.

Op de vraag of Teqoa wel kan blijven bestaan, hebben ze van de politici nooit antwoord gekregen. Maar als Shulamit en haar echtgenoot hun ogen dichtdoen en proberen te bedenken waar ze over, zeg, tien jaar zitten, dan zien ze zichzelf nog altijd in Teqoa wonen. Net als in de grotere, naburige nederzettingen als Efrat (1000 families) zijn er haast geen kolonisten die hun huis proberen te verkopen. De huizenprijzen blijven er haast even hoog als in het peperdure Jeruzalem. Ook nu de overheidssubsidies voor huizenbezitters in de nederzettingen zijn afgeschaft, komen er joden naar Teqoa om te vragen of ze er niet toch kunnen gaan wonen.

“Hoe komt het dat joden nu joden vermoorden?”, vraagt Shulamit bij de slagboom. “Door het vredesproces!” Bij de verkiezingen volgend jaar gaat ze dus weer stemmen op het “uitzettingspartijtje”. Met een grijns verklaart ze: “Alleen als alle Palestijnen verdwijnen, kan het joodse volk overleven.” En weg rijdt ze, in haar gammele auto vol afgeplakte stickers.