Wet over mensenrechten voor Peking onaanvaardbaar; China zet alle zeilen bij om mensenrechten Hongkong te torpederen

HONGKONG, 9 NOV. Hongkong is zeshonderd dagen vóór de historische overdracht aan China een permanent slagveld in een psychologische oorlog. Met het bezoek van de Chinese minister van buitenlandse zaken, Qian Qichen, aan Londen begin vorige maand - het eerste in 3,5 jaar - leek de strijd te zijn geluwd, maar inmiddels is weer een ander front geopend.

Na de jarenlange gevechten over het nieuwe mega-vliegveld, democratische hervormingen, een onafhankelijk opperste gerechtshof enz. is nu het voortbestaan van de rechtsstaat in zijn algemeenheid inzet van een nieuwe krachtmeting geworden.

De nieuwe ronde gaat over de Bill of rights, een wet inzake de mensenrechten die onder andere het internationale 'Convenant inzake burgerlijke en politieke rechten' in 1991 in Hongkong heeft ingevoerd en als supranationale wet boven de interne wetgeving heeft geplaatst. De juridische subgroep van China's Preliminaire Werkcomité (PWC), het orgaan dat unilateraal de overdracht voorbereidt, is nu met een stroomlijning van de wetgeving bezig en beval drie weken geleden aan dat alle wetten in Hongkong moeten conformeren aan de basic law, de in 1990 aangenomen toekomstige grondwet voor Hongkong. De basic law is de hoogste wet voor Hongkong en de mensenrechtenwet mag daar niet boven staan. Bepalingen in de mensenrechtenwet die vroegere repressieve koloniale wetgeving buiten werking stelden, werden door de adviseurs van China onredelijk en illegaal bevonden en moesten worden geschrapt. De repressieve wetgeving die de Britten in de jaren zestig gebruikten om Hongkongs Rode Gardisten en andere antikolonialen aan te pakken moet opnieuw van kracht worden. De te reactiveren wetgeving zal China verder instrumenten geven om na 1997 de media in het gareel te houden, demonstraties in Hongkong te verbieden en de staat van beleg in Hongkong uit te roepen.

Groot was de ontzetting in Hongkong toen het PWC op 20 oktober met zijn - door Peking gesouffleerde - aanbevelingen kwam. Het PWC bestaat voor een belangrijk deel uit zakenlieden die vroeger door de Britse gouverneur benoemde leden van de Wetgevende Raad waren, maar in 1992 door gouverneur Chris Patten zijn afgedankt. Velen hebben grote zakenbelangen in China en hebben hun politieke opvattingen navenant gewijzigd. De Duitse sinoloog Jürgen Domes noemde ze onlangs op een academische conferentie Quisling-tycones. Geen van hen was bereid om zich te laten interviewen.

Patten heeft de afgelopen weken in alle toonaarden gewaarschuwd dat de rechtsstaat en de autonomie van Hongkong in het geding zijn en riep de bevolking op om in het geweer te komen. Martin Lee, Hongkongs leidende gekozen politicus en topadvocaat, zei dat strijd voor het behoud van de rechtsstaat zijn hoofdzorg voor de resterende zeshonderd dagen van het Britse bestuur is. Lee zei in een interview met deze krant dat de rechtsstaat naar China moet expanderen en niet het omgekeerde, namelijk dat China's gebrek aan rechtszekerheid zich naar Hongkong verplaatst.

China schuift de verantwoordelijkheid voor het nieuwe gekrakeel geheel op gouverneur Patten en beschuldigt hem ervan met de mensenrechtenwet Hongkong toteen strijdtoneel voor wereldwijde anti-China krachten, dat wil zeggen de mensenrechtenorganisaties te maken. De regering van de toekomstige speciale administratieve regio (SAR) wordt door de mensenrechtenwet opgezadeld met allerlei beperkingen op haar machtsuitoefening en onder andere de verplichting om jaarlijks de Verenigde Naties verslag uit te brengen over de mensenrechten in Hongkong. Een Chinese woordvoerder Xu Ze, directeur van de afdeling politieke zaken van het bureau voor Hongkong- en Macao-zaken van de Staatsraad, zei dit weekeinde dat China niet verplicht is te rapporteren, omdat het anders dan de huidige Britse regering geen ondertekenaar van de VN-conventies inzake de mensenrechten is.

Het Chinese plan om de Bill of rights uit te hollen is ook onder China's eigen aanhangers in Hongkong slecht gevallen. De beroering was zo groot dat China vorige week zijn juridische experts naar Hongkong stuurde om de zaak te sussen, maar het heeft alleen maar averechts gewerkt. De Chinese juristen beschuldigden Engeland ervan tijdens de nadagen van het Britse bestuur allerlei veranderingen in de wetgeving aan te brengen die het Chinese bestuur na 1997 zullen verzwakken. Het is inderdaad zo dat Engeland het 'internationale convenant inzake burgerlijke en politieke rechten' in 1976 voor Hongkong bekrachtigde, maar pas in 1991 door middel van de Bill of rights in Hongkong invoerde. Shao Tianren, de leidende Chinese jurist, vroeg dreigend: “Waarom hebben de Engelsen de mensenrechtenwet pas ingevoerd vlak voordat zij vertrekken?” Het antwoord is helder als kristal. Niet om China te dwarsbomen in zijn machtsuitoefening, maar omdat na de bloedige repressie in 1989 de alarmstemming in Hongkong zo groot was dat op alle middelen werd gezonnen om de rechtswaarborgen voor Hongkong na 1997 te verbeteren.

Voor dit soort argumentering is China echter volkomen doof. In Chinese ogen blijft het een nieuwe fase in een Brits en internationaal komplot om Hongkong na 1997 te blijven gebruiken als basis om het socialisme op het vasteland te ondermijnen, en daaraan moet paal en perk worden gesteld. De Chinese juristen hebben ook geen oog voor sociale veranderingen, die wetswijzigingen noodzakelijk maken. Hun rechtsfilosofie is gebaseerd op de onhistorische idee dat samenlevingen en wetten bevroren kunnen worden in tijd om stabiliteit koste wat kost te handhaven. De Chinezen zijn vastbesloten om alle wetswijzigingen op het gebied van burgerlijke vrijheden die na 1991 zijn ingevoerd in 1997 terug te draaien. De Britten hebben de wetten al twintig jaar niet meer gebruikt, maar China wil nieuwe garanties creëren dat er na 1997 in Hongkong niet voor de vrijlating van Chinese dissidenten wordt gedemonstreerd, dat er geen televisieprogramma's worden vertoond die China's leiders kritiseren en zelfs dat er geen banden tussen lokale mensenrechtenactivisten en internationale organisaties zoals Amnesty International zullen bestaan.

Verscheidene pro-Chinese politici, sommige van hen eervolle verliezers in de verkiezingen van september zoals Tsang Yok-Sing en Tam Yiu-Chung, hebben getracht de Chinese juristen tot andere gedachten te brengen, maar tevergeefs. “Tijdens een preek door de leider van de Chinese juristen mochten we onze mond niet eens opendoen”, zei een van de 150 districtsleiders die de bijeenkomst bijwoonden. Kritische media werden beschuldigd van onverantwoordelijkheid en het zaaien van verwarring en de pro-Chinese media verzwegen de kritiek uit eigen kamp. Eind vorige week is opnieuw de Brits-Chinese joint liason group bijeengeweest, maar de Chinezen weigerden over de Bill of rights te praten. Over de heetste nog hangende economisch-technische kwestie, de bouw van containerterminal nr. 9, werd evenmin overeenstemming bereikt, omdat Jardine Matheson, het Britse handelsconglomeraat dat door China als een historische zondaar in Hongkong wordt beschouwd, er een te grote rol in heeft.

Na het bezoek van minister Qian aan Londen een maand geleden heerste de indruk dat het politieke conflict over Pattens democratisering als passé werd beschouwd, dat Patten op een zijspoor was gezet en wellicht voorgoed terug zou keren naar Londen. Het gevecht voor autonomie in Hongkong zou dan verder door de Hongkong-Chinezen onder leiding van Martin Lee moeten worden gestreden en Patten zou dan geen obstakel in de Brits-Chinese handelsbetrekkingen op lange termijn meer zijn. Qian was met zijn nieuw Britse ambtgenoot Malcolm Rifkind een raamwerk overeengekomen om de eindfase van de overgang zo soepel mogelijk te maken, onder andere

regelmatige ontmoetingen van Hongkongs topambtenaren met Chinese functionarissen om maximale continuïteit in Hongkongs bestuursapparaat te verzekeren;

steun van de huidige regering van Hongkong voor het voorbereidend comité voor de speciale administratieve regio (SARPC) dat op 1 januari 1996 zijn werk zal beginnen;

instelling van een groep experts op ambassadeursniveau die de vorm van de plechtigheden voor de soevereiniteitsoverdracht zal vaststellen (onder andere dat deze plechtig, waardig en historisch zullen zijn).

Er zijn echter te veel onoplosbare problemen om soepele betrekkingen te verzekeren. En gouverneur Patten, China's gezworen vijand, toont zich allesbehalve passief. Op het hoogtepunt van de rel over de mensenrechtenwet voer Patten opnieuw uit tegen zijn Chinese Nemesis. Hij zei dat Chinese functionarissen zichzelf vernederden door de voortdurende persoonlijke aanvallen op hem.

“Ik denk niet dat er enige regering in de wereld is die zich zo gedraagt. Het is gedrag dat niemand die zich met internationale zaken bezighoudt kan begrijpen. Het is gedrag dat volgens geen enkel internationaal criterium tolereerbaar is... Het is aan hen om uit te leggen waarom de vertegenwoordigers van een grote mogendheid zich zo gedragen.” Patten vroeg zich verder publiekelijk af hoe de soevereiniteitsoverdracht plechtig, waardig en historisch kan zijn als China voortdurend zijn dreigement blijft herhalen dat het de gekozen vertegenwoordigers van de bevolking van Hongkong op het moment suprême de laan zal uitsturen. Christine Loh, een van de meest dynamische leden van de wetgevende raad, was vastberaden over de laatste week van juni 1997. “Wij weten nog niet hoe zij zich de ontbinding van de gekozen wetgevende raad en vervanging door een benoemde raad voorstellen. Misschien dat zij ons allemaal, of een deel van ons willen herbenoemen. Misschien ook niet. En wie zal er benoemd worden en wie niet? Als de Chinezen gefixeerd blijven in dezelfde onredelijkheid als waarin zij nu zijn, zullen we ons aan het gebouw van de wetgevende raad ketenen en zal de eerste daad van het Chinese leger na de soevereiniteitsoverdracht zijn de gekozen vertegenwoordigers van Hongkong uit hun ketenen te halen en te arresteren.”