Vrees voor val kabinet; Hirsch Ballin bleef onder druk minister

DEN HAAG, 9 NOV. Oud-minister Hirsch Ballin (justitie) wilde in de eerste maanden na het uitbreken van de IRT-affaire, begin 1994, aftreden. Hij bleef aan onder druk van de toenmalige CDA-premier Lubbers en vice-premier Kok (PvdA).

Dat zei Hirsch Ballin (CDA) vanmiddag op de laatste dag van de openbare verhoren van de enquêtecommissie opsporingsmethoden. Kok en Lubbers vreesden dat het hele kabinet zou worden meegesleept in de val van Hirsch Ballin. Dat vonden zij met het oog op de naderende Kamerverkiezingen onaanvaardbaar.

Hirsch Ballin, tegenwoordig Eerste-Kamerlid, trad als demissionair minister af op 27 mei 1994, drie weken ná de verkiezingen. PvdA-minister Van Thijn (binnenlandse zaken) stapte enkele uren na de val van Hirsch Ballin op.

Hirsch Ballin zei vanochtend te hebben overwogen “voor of tijdens het Kamerdebat” over de IRT-affaire op 7 april af te treden als antwoord op het “publieke ongenoegen” dat was ontstaan over het functioneren van politie en justitie. Hij zei dat zijn bereidheid af te treden niet was ingegeven door “zelfverwijt”, maar door “de ernstige verwijten aan het adres van vertegenwoordigers van politie en justitie” in het rapport van de commissie-Wierenga. Die onderzocht de oorzaken van de ontbinding van het IRT Noord-Holland/ Utrecht.

Hirsch Ballin beklemtoonde dat het IRT-debat destijds niet ging over de omstreden opsporingsmethode van het IRT, omdat de conclusies van het rapport-Wierenga zich richtten op het functioneren van politie en justitie en de 'gezagscrisis' die volgens Wierenga aan de basis stond van de opheffing van het rechercheteam.

Volgens Hirsch Ballin blokkeerde zijn voormalig collega van binnenlandse zaken, Dales (PvdA), in 1993 de totstandkoming van wetgeving voor de zogenoemde “pro-actieve fase”. Het ging hierbij specifiek om een regeling voor het gebruik van richtmicrofoons en het aftappen van telefoongesprekken in de fase voor de start van het gerechtelijk vooronderzoek. Hirsch Ballin zei vanmiddag dat Binnenlandse Zaken dit blokkeerde omdat alleen de Binnenlandse Veiligheidsdienst van deze middelen gebruik mocht maken. CDA-justitiespecialist V. van der Burg zei vanochtend dat Hirsch Ballin en Van Thijn al eerder hadden moeten aftreden. “Als je de trap van boven schoonveegt, kun je adequater werken”, aldus Van der Burg, doelend op de gezagsproblemen die bij justitie en politie speelden. “Gezien de loop der dingen was het beter geweest om te vertrekken”, zei hij.