VN-tribunaal klaagt drie Servische officieren aan

DEN HAAG, 9 NOV. Het VN-tribunaal voor oorlogsmisdaden in voormalig Joegoslavië heeft drie officieren van het Joegoslavische Nationale Leger (JNA) aangeklaagd voor hun aandeel in de moord op 261 mensen in Vukovar in 1991. Dat heeft de woordvoerder van het tribunaal vanmorgen bekendgemaakt.

Twee van de beschuldigden, kapitein Miroslav Radic en majoor Veselin Sljivancanin, doen nog steeds dienst in het Joegoslavische leger. De derde beschuldigde, kolonel Mile Mrksic, werd dit jaar commandant van het 'leger van de republiek van Servisch-Krajina'.

Volgens de aanklager van het tribunaal waren deze officieren van een in Belgrado gelegerde brigade in 1991 betrokken bij de moord in Oost-Slavonië op 261 ziekenhuis-patiënten die niet van Servische afkomst waren. Het ging daarbij om gewonde soldaten die de stad Vukovar hadden verdedigd tegen de Servische opmars. Volgens getuigenverklaringen voerden Servische troepen de gewonden af naar het nabij Vukovar gelegen Ovcara, waar zij werden doodgeschoten. De lijken verdwenen in een massagraf dat door een bulldozer was gegraven.

Het is voor het eerst dat officieren van het Joegoslavische leger in staat van beschuldiging worden gesteld door het VN-tribunaal. Volgens de woordvoerder van het tribunaal zullen nog meer Servische officieren aangeklaagd worden.

Volgens Elisabeth Rehn, de speciale VN-rapporteur over de mensenrechten in ex-Joegoslavië, is in het gebied nog steeds op grote schaal sprake van massamoorden, verkrachtingen, martelingen, plunderingen en andere schendingen van de mensenrechten. Die schendingen bedreigen volgens haar een vredesakkoord over Bosnië nog voordat het is ondertekend. Rehn presenteerde in Genève haar eerste rapport aan secretaris-generaal Boutros-Ghali. De rapporteur heeft de afgelopen weken Zagreb, Sarajevo en Belgrado en delen van de Krajina - dat eerder dit jaar door de Kroaten op de Kroatische Serviërs werd veroverd - bezocht.

In haar eerste rapport bepleit ze de oprichting van een mechanisme waarmee toezicht kan worden gehouden op de naleving van de mensenrechten. Ook zou de VN-hulporganisatie UNHCR meer steun en geld moeten krijgen. Verder zouden de miljarden die moeten worden uitgetrokken voor de wederopbouw van Bosnië afhankelijk moeten worden gesteld van “zinvolle vooruitgang op het gebied van de mensenrechten”.

Rehn staat in haar rapport opnieuw stil bij de achtduizend moslims uit Srebrenica die worden vermist sinds de enclave in juli in handen van de Bosnische Serviërs viel. Ook besteedt ze veel aandacht aan de schendingen van de mensenrechten die door de Kroaten zijn begaan jegens de Kroatische Serviërs bij en na de verovering van de Krajina.