Stoffelen had die avond gelijk, maar kreeg het niet

DEN HAAG, 9 NOV. Het had de 'Nacht van Stoffelen' kunnen worden. In die IRT-nacht, van 7 op 8 april vorig jaar, lag het lot van het derde kabinet-Lubbers in handen van voormalig politiespecialist Piet Stoffelen.

Stoffelens relaas wierp gistermiddag nieuw licht op de onderliggende politieke verhoudingen die vorig jaar bepalend waren voor de manier waarop Kamer en kabinet omgingen met de IRT-affaire. Onder druk van oud-premier Lubbers liet Stoffelen na toenmalig CDA-minister Hirsch Ballin (justitie) voor het blok te zetten, en hield zo het kabinet in het zadel. De relatief onbekende PvdA'er, toen bijna een kwart eeuw Kamerlid, was ervan overtuigd dat hij die tumultueuze avond gelijk had, maar kreeg het niet. De verkiezingen waren in zicht.

De commissie-Wierenga, die de IRT-affaire had onderzocht, was maart vorig jaar tot de conclusie gekomen dat de top van politie en justitie in Amsterdam eind 1993 ten onrechte het speciale rechercheteam gericht tegen de zware misdaad had opgeheven. Volgens Wierenga hanteerde het IRT geen onrechtmatige opsporingsmethode. Die ondeugdelijke methode had de Amsterdamse 'driehoek' als argument gebruikt om snel het team op te blazen. Maar het kabinet en de meerderheid in de Kamer namen de conclusies van 'Wierenga' over: de opsporingsautoriteiten in Amsterdam werden verantwoordelijk gesteld voor de verlammende chaos, ruzies, achterdocht en stammenstrijd in de misdaadbestrijding.

Stoffelen wist er meer van. Gisteren onthulde hij dat de Amsterdamse politie-commissaris Van Riessen hem destijds persoonlijk inlichtte over de 'doorlevering' van veertig ton soft drugs en over de duizenden kilo's cocaïne die onderweg waren. De werkmethode was wél totaal uit de hand gelopen, concludeerde Stoffelen en bijgevolg hadden de Amsterdamse autoriteiten terecht daarover de stormbal gehesen.

Hirsch Ballin was volledig ingestort en wilde als consequentie van de vernietigende conclusies van het rapport-Wierenga aftreden, zoals hij vanochtend zei. Daarnaast dreigde Lubbers binnenskamers het voltallige kabinet voor ontslag voor te dragen bij de koningin. Tegelijkertijd wilden noch Lubbers noch PvdA-leider en vice-premier Kok aan de vooravond van de Kamerverkiezingen een ministerscrisis. In die ambigue situatie zag Stoffelen zich voor een onmogelijke missie geplaatst. Stoffelen: “Ik was er wel van overtuigd dat het een onmogelijk debat zou worden. Wat je ook doet, het zou fout zijn.” “U wist te veel, en u had te weinig ruimte”, concludeerde Van Traa gisteren. “Dat is een redelijk beknopte samenvatting”, zei Stoffelen gekweld.

Het relaas van Stoffelen sloot aan op “de Griekse tragedie” die oud PvdA-minister Van Thijn naar zijn zeggen meemaakte na zijn terugkeer in Den Haag, in januari 1994. Hij presenteerde zich gistermiddag aan de enquêtecommissie als een slachtoffer van zijn eigen integriteit. Zelf noemde hij zich “een gevangene van mijn ambtsgeheim”. Net als zijn partijgenoot Stoffelen kon hij geen politiek gebruik maken van zijn wetenschap van de uit de hand gelopen opsporingsmethode. “Ik had mijn eigen huid kunnen redden,” verklaarde Van Thijn gisteren. “Maar ik heb dat niet gedaan omdat ik dat een schending van mijn ambtsgeheim zou hebben gevonden.” Een minister van binnenlandse zaken moet zich aan zijn verplichtingen houden, zei hij. “Zelfs als de politieke dood daar op volgt.”

Van Thijn zei gisteren het “volstrekt onbegrijpelijk” te vinden dat de Kamer op zoek ging naar verantwoordelijken voor het IRT-debâcle, voordat precies bekend was hoe de opsporingsmethode eruit zag. Tot overmaat van ramp vond Van Thijn ook geen gehoor in het kabinet bij Lubbers en bij zijn eigen partijleider Kok. De “hoogste personen in de politieke rangorde”, zoals hij hen omschreef, hadden Van Thijn slechts “glazig” aangekeken.

De ontsnappingsroute die de minister van binnenlandse zaken voor zichzelf had uitgestippeld spoorde niet met de opzet van de beide politieke leiders: Van Thijn diende juist Hirsch Ballin binnenboord te houden.

De oud-minister deed zijn best om via een sluiproute zijn noodlot te ontgaan. Hij probeerde de voorzitters van de vier grootste fracties in de Tweede Kamer ervan te overtuigen dat het niet de tijd was om naar schuldigen te zoeken in de IRT-zaak. De toenmalige fractieleiders Brinkman (CDA), Wöltgens (PvdA), Bolkestein (VVD) en Van Mierlo (D66), verenigd in de commissie inlichtingen- en veiligheidsdiensten, beschikten namelijk over het geheime deel van het rapport-Wierenga en konden dus weten hoe het zat. Van Thijn hoopte dat zij de 'regie' van het Kamerdebat in zijn voordeel zouden kunnen beïnvloeden. Tevergeefs. Alles wat de oud-burgemeester zei ter verdediging van de Amsterdamse zaak werd bij voorbaat in twijfel getrokken.

Volgens Van Thijn was de aandacht van de Kamer geheel gericht op de verantwoordelijke personen. De woordvoerders van de meeste fracties waren in verkiezingstijd voornamelijk beducht voor het verwijt “dat de hoge heren elkaar de hand boven het hoofd houden”, zoals VVD-leider Bolkestein het toen in het debat uitdrukte. “Ik vond het onbegrijpelijk dat de fractievoorzitters niets gedaan hebben. Ik had gehoopt en verwacht dat zij zouden ingrijpen”, zei Van Thijn.

De aandacht van Van Traa richtte zich gisteren daarom ook speciaal op de handelwijze van de commissie voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Had oud CDA-fractievoorzitter Brinkman, voorheen voorzitter van die commissie, niet meer bekendheid moeten geven aan de informatie uit het geheime onderdeel van het Wierenga-rapport? Daaruit bleek toch dat de opsporingsmethode veel ernstiger was ontspoord dan de Kamer op grond van het openbare deel veronderstelde. Brinkman meende dat de Kamer “voldoende overtuigd was van de ernst van de situatie”. Vanochtend werd de oud-fractievoorzitter uit onverwachte hoek onderuit gehaald: CDA-justitiespecialist Van den Burg meldde dat de Kamer vorig jaar “niet adequaat is geïnformeerd om een oordeel te kunnen vellen over de opsporingsmethode”. Volgens hem had de justitie-commissie vertrouwelijk ingelicht moeten worden. “Dan was er nooit een commissie-Van Traa geweest.”