Spinnen, kinderversjes en ballonnen

Brieven en nadere overwegingen. Om te beginnen over de spin Pholcus phalangioides die op 5 oktober werd behandeld. Dat is een stakerig en - zo te zien - ook wat stakkerig diertje dat zijn rommelige web in trilling brengt als er gevaar dreigt. Nederlands laatste professionele spinnekenner dr. P.J. van Helsdingen overweegt de spin die nu nog hooiwagenspin heet (wat verwarring met hooiwagens mogelijk maakt) daarom maar sidderspin te noemen.

Nederlands tweede spinnekenner ing. W. van Katwijk, auteur van 'Spinnen van Nederland' (Balkema, Rotterdam, 1976), vindt de aanduiding trilspin een betere keus. Sidderspin is een germanisme en sidderen associeert men te makkelijk met angst. Daarmee heeft het trillen niets te maken, het is eerder intimidatie, ja misschien wel agressie. Een angstige spin holt weg of laat zich vallen, zegt Van Katwijk. Ook Pholcus kent die optie.

De trilspin krijgt meer naar binnen dan men uit oppervlakkige waarneming zou afleiden, schrijft hij. 'Zelfs worden wel andere, kleine spinnen gegeten.' Kleine? Een lezer in Bergen zag Pholcus grote kruisspinnen te lijf gaan. 'Deze verliezen de strijd altijd.' Verder gingen in Bergen steekmuggen, wintermuggen, tapijtmotten en bananevliegjes voor de bijl.

Twee weken geleden ging het over de ouderdom van klassieke kinderversjes van het soort 'Schuitje varen, theetje drinken'. Veel zekerheid viel er niet te bieden, het lijkt erop dat de meeste versjes niet ouder zijn dan anderhalf tot twee eeuwen. Het schort aan voldoende registratie voor 1800.

Er werd een halfhartige poging gedaan om dan maar uit de inhoud van de liedjes de leeftijd af te leiden. Het is jammer, stond hier op 26 oktober, dat er maar twee kinderversjes zijn die een historische gebeurtenis beschrijven: 'Jan Huygen in de ton', en 'Hop Marjanneke'. Er blijkt er nog een te zijn. 'Daar komt Pauwel Jonas aan, het is zo'n aardig ventje' verwijst naar de Amerikaanse zee-officier John Paul Jones die in 1779 een overwinning behaalde op de Britse marine. Toen hij de buitgemaakte schepen op Texel wilde verkopen, werd hij van Nederlandse zijde allerhartelijkst ontvangen. In 1780 brak de Vierde Engelse Oorlog uit.

Duidelijk is geworden dat ook uit het buitenland aanwijzingen kunnen komen voor de leeftijd van Nederlandse versjes, veel oerhollandse liedjes hebben een vreemde oorsprong. Zo is er van 'Slaap kindje slaap' ook een minder vrijblijvende Duitse versie en wordt 'Vader Jacob' in bijna alle OESO-landen gezongen. Bij nader inzien blijken 'Schaapje, schaapje, heb je witte wol', 'Op een klein stationnetje' en 'Hansje pansje kevertje' van Engelse afkomst te zijn. Het kevertje kent de Engelse kleuter als een spin: 'Eensy Weensy Spider'.

Opvallend is dat Vlaanderen heel veel kinderversjes met Nederland gemeen heeft, terwijl de culturele scheiding tussen 1585 en 1815 zo hermetisch leek. Het lijkt de zoveelste aanwijzing dat de klassieke kinderversjes niet zo oud zijn. An Debaene en Cathy Goossens bundelden Vlaamse kinderversjes in 'Tante Nans zat op een gans' (Uitgeverij Helmond, 1993). Het aardige van het boek is dat ook het gebruik van de liedjes wordt uitgelegd. De auteurs onderscheiden niet alleen slaap- en wiegeliedjes, maar ook schootliedjes, kiekeboeliedjes en liedjes voor touwtjespringen en allerlei kringspelen. Wat er nu precies met 'onze fiere Pinksterblom' aan de hand was blijft onverklaard.

Van AW-zijde werd destijds nog wat gemijmerd over de vraag of uit het in de versjes bezongen voedsel misschien aanwijzingen zijn te halen omtrent authenticiteit en ouderdom. Opvallend is dat fruit, verse groente en soep nooit behandeld worden, werd er genoteerd. Dat was een tikkeltje te stellig. Uit Rotterdam kwam een brief met een vers over 'kleine Hein' die een vroege dood stierf omdat hij weigerde soep te eten. Een lezeres in Overveen kent een gedicht waarin 'Jaap de groenboer' met een keur aan gewassen figureert. Bovendien een Rie Cramer-achtig gevalletje over appeltjes die ene Jantje op een drafje in een mandje naar moesje moet brengen. Alle drie gedichten die in geen recente bundel te vinden zijn.

De grote lijn is dat in kinderversjes vooral pap, melk (ook: met brokken) en diverse koeken en koekjes worden behandeld. Verder: brood, bier, thee, wijn, suiker, boter, kaas en eieren. Maar nauwelijks fruit en géén groente of soep. En ook geen jenever en tabak.

In het zojuist gestarte ballononderzoek heeft zich een verontrustende ontwikkeling voorgedaan. Aan de hand van schattingen en grove berekeningen werd hier vorige week aannemelijk gemaakt dat de heliumgevulde ballonnen die tegenwoordig bij elke braderie en koninginnedag omhoog gaan een eindhoogte bereiken van ongeveer 2000 meter. Er werd het lot beschreven van een ballon met een eigen massa van 3 gram, een adreskaartje van 2 gram, een vulling van 1,3 gram helium en een startvolume van 7 liter. Voor de helium-overdruk werd 80 centimeter water (dat is 0,08 bar) aangenomen.

Inmiddels heeft makelaar J. Wisse, die de besproken ballonwedstrijd organiseerde, de originele ballonnen en kaartjes opgestuurd. Bovendien is uit de kleine AW-kas de gevoelige Zwitserse veerbalans (merk Pesola) aangeschaft die vorig week nog te duur werd genoemd. Ten slotte is van drie meter aquarium-luchtslang een open manometer-met-water gebouwd.

Het volgende staat nu vast. In de hier besproken luchtballonnen wordt de overdruk maar zelden meer dan 40 à 50 centimeter waterdruk. De ballon van Wisse woog eigenlijk 3,2 gram en had een startvolume van ongeveer 14 liter. Het kaartje woog 2,7 gram en aannemelijk is dat er 2,5 gram helium aan vulling was. Deelt men de totale massa (8,4 gram) door het ballonvolume, dan volgt een 'groepsdichtheid' van 0,6 gram per liter. Uit tabellen blijkt dat deze ballon na loslaten pas boven de 6000 meter tot rust zal komen, en nog hoger als het ballonvolume onder het stijgen nog wat toeneemt. Nog knellender wordt de vraag: waarom barsten deze ballonnen niet? Het antwoord is impliciet te vinden in het oktobernummer van het nieuwe tijdschrift 'Weer & klimaat'.