SODOMS ZAAD

Theo van der Meer. Sodoms zaad in Nederland. Het ontstaan van homoseksualiteit in de vroegmoderne tijd. 512 blz. Nijmegen, SUN. ISBN 90 62 68 444 7 ƒ 59,50.

Promotie 9 november, Vrije Universiteit Amsterdam, Promotor prof.mr. S. Faber.

Sodoms zaad is vruchtbaar. Begin dit jaar promoveerde Lex Hermans op een proefschrift over homoseksualiteit in het Romeinse keizerrijk ('Bewust van andere lusten'), deze zomer verscheen Noordam's monografie 'Riskante relaties' over vijf eeuwen homoseksualiteit in Nederland (1233-1733) en nu is er dan Theo van der Meer's dissertatie over de periode tussen 1730 en 1830. Wie dan ook nog Judith Schuyf's proefschrift over de geschiedenis van de lesbische vrouw in Nederland op de plank heeft staan, naast de 'uitdoktering' van de homoseksueel in negentiende-eeuws Nederland van Gert Hekma uit 1987 en het nog weer vijf jaar oudere proefschrift van Rob Tielman over de onderdrukking en emancipatie van homoseksuelen, heeft al bijna een homoseksuele wereldgeschiedenis compleet. Het wachten is alleen nog op een proefschrift over homoseksualiteit ten tijde van Karel de Grote.

De studie van Hermans is vooral gebaseerd op literaire en filosofische teksten uit de Romeinse tijd en hij gaat op een vrij luchtige en voor de echte homostudies-adepten zeker te luchthartige wijze om met het begrip homoseksualiteit. Toch valt hij allerminst voor de essentialistische verleiding om los van de historische en sociale context overal 'de' homoseksueel te herkennen, zoals die tegenwoordig begrepen wordt en ook zichzelf begrijpt: als iemand met een homoseksuele identiteit, los van de vraag of er sprake is van homoseksueel gedrag of van herkenning door anderen.

'Bewust van andere lusten' was men zich in de Romeinse tijd wel, in ieder geval geldt dat voor de auteurs van de teksten die hij aanhaalt. Ook in het keizerrijk was homoseksueel gedrag niet gewoon en het was sociaal ook allerminst geaccepteerd. Tussen volwassen mannen kon eigenlijk niets, al kon een heer wel zijn slaaf gebruiken en werd ook seks tussen mannen en jongens niet schandelijk of schadelijk gevonden. Ook de pederastie was echter aan regels gebonden en beter was het er maar helemaal van af te zien.

Wat Noordam en Van der Meer in het Nederland van de late middeleeuwen en de vroegmoderne tijd kunnen laten zien van homoseksueel gedrag lijkt op het beeld dat Hermans schetst en is er tegelijkertijd ook totaal verschillend van.

Wat opvalt, is dat gelijkgeslachtelijke relaties tussen gelijken in leeftijd en sociale status pas heel laat - vrij onlangs dus - voor het eerst zichtbaar en dus aantoonbaar worden. Tot de achttiende eeuw gaat het bijna altijd om min of meer incidentele seksuele contacten of om het gebruik van afhankelijken en onderhorigen (knechten, weesjongens), waarbij de suggestie ook altijd is dat de meerdere of de oudere de actieve partner is. Hier zou je bijna van een antropologische constante kunnen spreken: in vrijwel elke cultuur is de verdeling tussen actief en passief, jong en oud, sociaal hoger en lager op het gebied van de seksualiteit belangrijker dan de verdeling homo of hetero. Bovendien is er vrijwel nergens sprake van een principiële gelijkheid van en gelijkwaardigheid tussen de seksen, wat ook weer met zich meebrengt dat het streven naar een gelijke relatie tussen gelijke partners historisch en cultuur-antropologisch gezien eerder uitzondering dan regel is. Traditioneel en algemeen is een asymmetrische, zo men wil verticale relatie, modern en nog recent is de symmetrische, horizontale relatie. De omslag van asymmetrisch naar symmetrisch voltrekt zich geleidelijk vanaf het midden van de zeventiende eeuw en dat des te gemakkelijker in landen waar vanouds al een zeker sociaal egalitarisme bestond. In 'Holland' dus. Bewust van andere lusten lijkt men zich vaak niet geweest te zijn en het duurt lang, voordat mensen zichzelf gaan identificeren met de richting van hun lust.

Van der Meer opent en besluit zijn boek met enkele brieffragmenten uit 1826 van ene Jan van Zaanen aan zijn 'lieve beste Kees', in wiens armen hij weer gauw hoopt te liggen, al weet hij ook wel dat Kees net als hijzelf een 'vaste vrind' heeft met wie hij 'zoet en saamen ... genoote' heeft. Jan van Zaanen, een gewone kelner, wist ook wat er met hem en Kees aan de hand was: 'het is een zwakte die met ons aangebooren is'. Jan van Zaanen beschouwde zichzelf als - zouden we nu zeggen - homoseksueel, ging om met anderen van de 'familje' en hoopte op een vaste relatie met iemand als hijzelf. Hoe komt Van der Meer aan deze brieven? Het zijn bewijsstukken geweest in een proces tegen vriend Kees wegens schennis van de openbare eerbaarheid. De brieven waren bij hem thuis gevonden en in beslag genomen. Ze zijn bewaard gebleven in het archief van het Hooggerechtshof. Zowel Van der Meer als Noordam zijn voor hun onderzoeksmateriaal bijna geheel aangewezen geweest op wat er in gerechtelijke en notariële archieven te vinden was, op persoonlijke getuigenissen en verslagen van verhoren dus. Van een 'homo-erotische' literatuur, zoals die in het Romeinse keizerrijk wel degelijk bestond, ontbreekt ieder spoor (en dus zal die er ook nog wel niet geweest zijn), maar er zijn vooral in de achttiende eeuw tractaten en verhandelingen te over geweest waarin tegen het gevaar van de onuitsprekelijke zonde (sodomie) wordt gewaarschuwd.

De boeken van Van der Meer en Noordam vullen elkaar aan, maar zijn op een aantal punten ook overlappend. Voor een deel wordt van hetzelfde materiaal gebruik gemaakt en de beruchte sodomietenvervolgingen van 1730 spelen in beide boeken een sleutelrol, zij het op verschillende wijze. De echte vraag van beide boeken is hoe Jan van Zaanen mogelijk was, met andere woorden hoe de homoseksueel als categorie en identiteit kon ontstaan. Jan van Zaanen is echt de gewone homoseksueel van nu, die Noordam al anderhalve eeuw eerder in de koning-stadhouder Willem III meende te kunnen herkennen, een oordeel dat Van der Meer duidelijk niet helemaal deelt. Misschien wel gewoon uit historische voorzichtigheid, omdat Willem III zich nooit zo eenduidig heeft uitgesproken als Jan van Zaanen heeft gedaan en natuurlijk ook nooit in flagranti is betrapt. Net als Noordam biedt Van der Meer een uiterst gedetailleerd en anekdotisch beeld van de seksuele zeden, gewoonten en gedragingen in de door hem bestudeerde periode. Hij loopt de geschiedenis drie keer door, al is dat een wat banale aanduiding voor een zo goed gedocumenteerde en van eruditie getuigende onderneming.

Goed en grondig archiefwerk gaat hier samen met een bewonderenswaardige poging dit materiaal ook 'ideengeschichtlich' te duiden. De liefhebber van het scabreuze komt in de oneven hoofdstukken aan zijn trekken, voor het verfijnde theoretische palaat zijn er de even hoofdstukken en ik heb ze allemaal gelezen, met bewondering en met plezier. Ze zeiden het vaak zo aardig en treffend vroeger, met een bijna aandoenlijke openheid en directheid. Van der Meer kijkt eerst naar de houding van de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten en plaatst die naast de theologische en juridische opvattingen van die tijd. Daarna wordt de voorzichtige opkomst van een homoseksuele subcultuur met zijn eigen ontmoetingsplaatsen, zijn eigen sociale netwerken en zijn eigen taaltje beschreven. In die subcultuur begint de homoseksuele identiteit heel langzaam vorm te krijgen. Tenslotte gaat hij dan ook nog na wat de houding van het publiek en van de eigen sociale omgeving van de betrapte en gearresteerde sodomieten is. Hij sluit af met het leggen van een verbinding met het proefschrift van Hekma en tegelijkertijd met een afwijzing van diens visie op homoseksualiteit als een 'medische reputatie', die pas in de tweede helft van de negentiende eeuw vorm zou krijgen.

Fascinerend is vooral om te zien, dat waar seksueel verlangen en gedrag onmiddellijk herkenbaar en invoelbaar blijven, tot zelfs de manier van praten en adoreren toe, de theorieën over sekse en seksualiteit van toen moeilijk te reconstrueren en nog moeilijker te begrijpen zijn. Het idee dat het mannelijke lichaam het 'eigenlijke' lichaam is en het vrouwelijke lichaam er een incomplete versie van is, krijgt met de ogen van nu gezien een bijna absurd karakter, wanneer daar de consequentie aan verbonden wordt dat dit vrouwen ook voorbestemt tot 'bijligging' (en mannen dus niet). Al iets herkenbaarder is de gedachte aan sodomie als de uiterste vorm van hedonisme en zeker de zoals Van der Meer het noemt 'excespsychologische' angst voor sodomie als het eindpunt van de weg van kwaad tot erger. Die gedachte leeft nog voort in decadentietheorieën, die ook van alle tijden lijken te zijn. Zou er één cultuur zijn, waarin soberheid, matigheid en zelfbeheersing niet als (mannelijke) deugden bij uitstek worden gezien en homoseksueel gedrag niet als een bewijs, oorzaak en gevolg van het tegendeel?

Het is Michel Foucault geweest die de discussie over de onderdrukking van de seksualiteit een heel nieuwe wending heeft gegeven door in de onderdrukking het machtsaspect van 'de wil tot weten' als dominant gegeven aan te wijzen (het eerste deel van zijn onvoltooide geschiedenis van de seksualiteit heette ook 'la volonté de savoir'). Van der Meer laat zien hoe de sodomieprocessen steeds meer een openbaar karakter kregen en ook steeds meer in het teken van een volledige bekentenis, een echte en louterende biecht kwam te staan. Zo werd als het ware sodomitische kennis gegenereerd, maar zo werd onbedoeld ook gewerkt aan een identiteitsvorming, die van de sodomiet een homoseksueel zou maken. Identiteitsvorming door middel van socialisatie en initiatie was natuurlijk bij uitstek ook het effect van de ontluikende homoseksuele subcultuur in de steden. Dan beginnen zich ook de trekjes te manifesteren, die sindsdien gedurende lange tijd als typisch homoseksueel hebben gegolden (verwijfdheid in gedrag, kleding en taal). Homoseksualiteit krijgt in reactie op de maatschappelijke veroordeling en onderdrukking het karakter van een 'tegenidentiteit', die als zodanig pas nu weer aan het verdwijnen is.