Schotse zanger schrijft songs voor zichzelf; Mike Scott reist om te groeien

De Schotse zanger Mike Scott, volgende week te horen in Amsterdam, schrijft nummers die alleen voor hemzelf geschikt zijn. Hij treedt na een periode als bandleider nu dan ook solo op.

Mike Scott: Bring 'Em All In (Chrysalis 35200). Concert: 14/11 Paradiso, Amsterdam.

Vraag een willekeurig stel popmuzikanten aan welke voorwaarden een goede popsong moet voldoen, en negen van de tien zullen zeggen dat het liedje 'overeind moet blijven' als het met begeleiding een enkele akoestische gitaar wordt gespeeld. Luka Bloom is er een ster in, Johnny Cash maakte een glorieuze comeback met de letterlijk solo gespeelde cd American Recordings en zelfs Bruce Springsteen onderneemt binnenkort een tournee met enkel een gitaar onder de arm.

Nog interessanter wordt het, wanneer de meest melodramatische onder de Britse rockzangers er plotseling alleen voor staat. De Schotse zanger Mike Scott werd halverwege de jaren '80 bekend met de overrompelende muziek van zijn groep The Waterboys. Met veel bombarie riep hij de herdersgod Pan aan op het album This Is The Sea, een galmend monument van de 'Big Music' die hij in zijn hoofd hoorde. Terwijl de hit 'The whole of the moon' hem tot een popster tegen wil en dank maakte, zocht Scott de innerlijke vrede waar hij in zijn muziek zo hard over te keer ging. Hij verhuisde naar Dublin en vond het gezelschap van plaatselijke folkmuzikanten, die hem bijstonden op twee platen vol gemoedelijke geitenwollen-sokkenmuziek. Nog altijd rusteloos, vertrok hij naar New York voor de robuuste rockplaat Dream Harder.

Pas na een periode van contemplatie in de Findhorn-commune aan de noordkust van Schotland, heeft Mike Scott (36) zijn ware roeping hervonden. Zijn nieuwe cd Bring 'Em All In - de eerste die onder zijn eigen naam verschijnt - bevat oersimpele en goudeerlijke liedjes over de liefde, het Schotse landschap en straatzangers die putten uit het oude repertoire van The Waterboys. “In Dublin ben ik inderdaad eens stil blijven staan bij zo'n jongen die mijn nummers stond te zingen,' zegt Scott op de intense toon die ook zijn zangstem kenmerkt. “Ik heb hem wat geld gegeven, hoewel ik niet vind dat zulke persoonlijke teksten op een geloofwaardige manier door iemand anders vertolkt kunnen worden. In dat opzicht ben ik geen traditionele singer/ songwriter, want ik schrijf nummers die alleen voor mijzelf geschikt zijn.”

Hoewel zijn muziek de loop der jaren enkele drastische veranderingen van stijl onderging, plaatst Mike Scott een vraagteken bij de artistieke renaissance die hem wordt toegeschreven. “Het is niet zo dat ik 's ochtends wakker word en tegen mezelf zeg: nu ben ik een folkmuzikant. In Ierland ontdekte ik nieuwe facetten van mijn karakter, net zoals ik in Findhorn dieper in mezelf ben afgedaald. Dat klinkt misschien zweverig, maar met de new age-beweging of met religieuze denkbeelden heeft dat niets te maken. Een artiest moet groeien, en ik bereik dat door telkens naar andere plaatsen te reizen. Op het platteland vind ik rust, maar soms heb ik de drukte van de stad nodig om al mijn zintuigen weer eens hard aan het werk te zetten. Zonder nieuwe ervaringen blijft de inspiratie voor nieuwe songs uit, en dus kan ik het me niet veroorloven om lang op dezelfde plek te blijven hangen.”

In zijn folkjaren groeide het besef dat popmuziek niet alleen een consumptie-artikel hoeft te zijn, maar dat een hedendaagse liedjesschrijver aansluiting kan vinden bij een tijdloze traditie. “In het oude Ierland was de muzikant of de bard een gerespecteerd persoon, die alleen aan de koning verantwoording af hoefde te leggen. Muziek is er nog steeds een belangrijk onderdeel van het dagelijks leven. In Londen is popmuziek een produkt waar snel veel geld aan verdiend moet worden. Er heersen allerlei kleinzielige regels over wat wel en niet kan, omdat iedereen doodsbang is om geen aansluiting te vinden bij de laatste trend.

“Er is een groot verschil tussen vernieuwend en origineel. Ik doe al jarenlang geen moeite meer om vernieuwend te klinken, maar ik streef er wel altijd naar om een originele stem te zijn in het gigantische aanbod van populaire muziekstromingen. Als muzikant ben ik gevormd door een aanbidding van Patti Smith, Lou Reed en Bob Dylan. Die invloeden spelen nog mee in mijn achterhoofd, maar hun platen hoef ik daarvoor niet meer op te zetten. Als ik mezelf een lesje wil leren over de kunst van het songschrijven, zet ik een oude plaat van The Waterboys op. Van mijn eigen fouten leer ik het meest, en tegelijk constateer ik tevreden dat het niet allemaal rommel was.”

Zijn soloconcerten ziet hij met vertrouwen tegemoet, omdat de eenmansbezetting hem vrijheden biedt die hij als bandleider moest ontberen. “The Waterboys was altijd míjn groep, die míjn songs speelde op de manier zoals ik het wilde. Toch voelde ik mij verplicht om de andere muzikanten ruimte te geven om zich te ontplooien. Zo mooi als dat was, vind ik dat het moment is aangebroken om de volgende stap te nemen. Er bestaat geen directer contact met het publiek dan wanneer je alleen op het podium staat en je kunt inspelen op de sfeer die er in de zaal ontstaat.

“Ik heb geen simpele trucs om zo'n concert in mijn eentje boeiend te maken. Met een rockband kun je je verschuilen achter het geluidsvolume of bestaat de mogelijkheid om tijdens andermans solo nog eens uit de schijnwerpers stappen. In mijn eentje is het intiemer en ben ik gedwongen om meer van mezelf bloot te geven. Mijn elektrische gitaar gaat mee het toneel op en als het nodig is, kan ik zo veel lawaai maken als ik wil.”