Ruim baan voor de Pontische lier

Do. 9 nov. en vrij. 10 nov. speelt Manolis Pappos en zijn kompanía muziek uit de Griekse steden, resp. in Paradiso, Amsterdam aanvang 21.00 uur en in Vredenburg, Utrecht aanvang 20.15 uur. Inlichtingen over het seizoensprogramma bij Sferra, Cultureel Agentschap, tel. 020 6166136

Er is al een tijdje een kleine cursus aan de gang. Hij heet geen cursus, er is niemand cursist en leraren zijn er eigenlijk ook niet, maar wie wil kan er wel iets opsteken. Die kan horen hoe rebétika klinkt, wat voor muziek Pontiërs maken of de vreemde zeurende klanken van de Kleinaziatische Grieken tot zich door laten dringen. Aanstaande donderdag laat de virtuoze bouzoukispeler Manólis Páppos in Amsterdam stadsrebétika en populaire liederen (laïká) horen - een rijke cursusavond, twee genres in een klap.

Elke seizoen weer haalt cultureel agentschap Sferra verschillende Griekse musici naar - meestal vrij kleine - concertzalen. Er komen groepjes die nog een reputatie moeten verwerven, volkszangers, in gespecialiseerde kringen hooggewaardeerde bouzoukispelers, maar ook tamelijk bekende artiesten als Mariza Koch, Nena Venetsanou, Nikos Papázoglou (de laatste twee staan dit voorjaar op het programma).

Het is soms verbazend wat men te zien en te horen krijgt. Vorig seizoen bij voorbeeld, kwamen drie mannen en een vrouw Pontische muziek spelen. Ze zagen er stuk voor stuk buitengewoon ingetogen uit, bogen zich met aandacht over hun Pontische lier of over een doedelzak die zo eenvoudig was dat het schaap er nog maar net uit ontsnapt leek, de wat dikkige dame in haar keurige rok stond kaarsrecht op haar krappe hakjes en niets leek iets te beloven tot ze begonnen - alsof niet zij naar Nederland waren gekomen, maar wij verhuisd waren naar een kale wei tussen de Pontische geiten. Hun muziek was een stilstaande beweging, stram op de plaats werden er lange, veel tijd omspannende verhalen gezongen, er werd geklaagd (“mijn haar is wit geworden, die kwelling kan ik niet verdragen”) met uithalen die nooit uithalen maar zich altijd weer naar binnen lijken te keren. Dat je deze muziek zou willen kennen kun je niet weten voor je hem gehoord hebt. Het is eigenlijk een omgekeerde cursus, die ons de gaten in onze kennis leert zien.

Sferra brengt bij elk concert een klein boekje uit met een inleiding over de muzieksoort en de musici en een aantal vertaalde teksten (alles meestal samengesteld door de actiefste neograecus van Nederland, Hero Hokwerda) zodat ook voor oningewijden en niet-Grieken snel duidelijk is waar we ons bevinden. Want dat is natuurlijk lang niet altijd op een bergwei. Twee weken geleden kon men door de deur van Paradiso zo een havenkroeg in Piraeus binnenstappen, omdat een gezelschapje dat zich 'de retrogressieve kompanía' noemt daar met hartveroverend plezier hun liederen over hasjrokers, gevangenen en onverkrijgbare meisjes (“mij heb je niet één blik toegeworpen, wreed hart”) ten beste gaf. De bouzouki klonk er, en de baglamas, een heel klein zeer helder te verstaan snaarinstrument - er bestaat een lied dat beweert: “op de achtste dag schiep god de baglamas” en het refrein juicht “o, mijn baglamasje”- iedereen zat te roken en te drinken inclusief de musici, de zangeres bewoog onnavolgbaar gracieus haar armen en rinkelde met kleine schellen, niemand wilde ophouden, niemand wilde naar huis.