Pie-oe-iet, tjududu, tepíet!

Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels. Albert Beintema, Oene Moedt en Danny Ellinger. 352 pag, ill. Uitg. Schuyt & Co, 1995. ISBN 90-6097-391-7. Prijs ƒ 115,-

Tot voor kort gold de kemphaan in ons land als een echte lekkernij. In juli en augustus werden de jongen in het weiland op grote schaal gevangen. Ze werden, net als patrijzen, gezolderd. In donkere hokken - om vechten te voorkomen - werden ze op een menu van melk en brood 'ongelooflijk vet' gemaakt. Soms werden ze in manden van 50 stuks levend naar Engeland geëxporteerd. In het Eemland kwamen deze praktijken na de Tweede Wereldoorlog nog voor.

Nog hoger aangeschreven staat de watersnip. Vorig jaar werden er 20.000 geschoten. 'Een snepje met een drekje' geldt als de aristocratische tegenhanger van de hartige hap. Kenners peuzelen het gebraden lijfje in zijn geheel op, compleet met de inhoud van de ingewanden, die het geheel een pikante smaak verlenen. Als hoogtepunt geldt in jagerskringen ten slotte het openbijten van het schedeltje en het leegzuigen van de hersenpan.

Dit alles valt te lezen in de Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels, die deze week verschijnt, in navolging van de vlinderatlas en de roofvogelatlas. Het is opnieuw een monumentaal boek geworden. Auteur Albert Beintema, voor de lezers van deze bijlage geen onbekende meer, heeft bijna 25 jaar ervaring met weidevogels als onderzoeker bij het Instituut voor Bos- en Natuurbeheer in Wageningen. Beintema is niet alleen een geboren verteller, maar ook dol op maatschappelijke discussies en dat maakt deze atlas de moeite van het lezen meer dan waard.

De tweede schrijver, tevens fotograaf, is Oene Moedt, in het dagelijks leven leraar aardrijkskunde en volgens het tijdschrift Vogels de beste weidevogelfotograaf ter wereld. Hij heeft zijn halve leven, met of zonder schuiltentje, in het weiland doorgebracht. Een kwestie van wachten, wachten en nog eens wachten tot hij precies dat ene plaatje kon maken. Zo kun je in deze atlas het ei van de grutto tevoorschijn zien komen, je ziet de stijve rituele passen waarop de vader-in-spé plechtig het nestkuiltje nadert, waarin het eerste ei zojuist is gelegd. We zijn getuige van de curieuze tepiet-ceremonie van de scholeksters, van het baltsen van de watersnip en zien het fascinerende ballet van de kemphanen in alle detail, compleet met choreografische kaartjes en sociologische diagrammetjes van de positiewisselingen op de kemphanenarena, om het verschil in status tussen honkmannetjes, randmannen en satelliethanen toe te lichten.

Beton

De derde medewerker is Danny Ellinger, fotograaf en directeur van het bekende fota-agentschap Foto Natura. Hij zorgde voor de meeste foto's van landschappen, agrarisch beheer en weidevogelbescherming. Tientallen vrijwilligers hebben meer dan twintig jaar lang nest- en broedgegevens voor de atlas aangedragen. Basisvertrappingsgetallen voor verschillende typen beweiding, kuikensnavellengtemetingen en prooiopnamesnelheden, je kunt het zo gek niet bedenken of het staat erin.

Op het eerste gezicht is het wonderlijk, dat juist de Nederlandse weiden zo in trek zijn bij de weidevogels. Zo broedt 95 procent van alle grutto's op aarde in ons land. Dat is een kwestie van voedselaanbod en veiligheid. In het Middellandse Zeegebied, bijvoorbeeld in Noord-Algerije en Tunesië, zie je 's winters de prachtigste, sappige weitjes, waar grote groepen steltlopers komen pleisteren. Maar kom je daar in mei of juni terug, dan is de bodem veranderd in een soort beton, waar geen snavel nog doorheen prikt.

De Nederlandse weiden bestaan uit een nat veenpakket, afgedekt met een laagje rijke klei, een combinatie die buiten Nederland heel zeldzaam is. Deze gronden warmen in het voorjaar maar langzaam op, en bovendien blijven ze nat en zacht omdat het bij ons in het voorjaar zoveel regent. Tot het einde van het broedseizoen vinden de vogels hier genoeg regenwormen en andere bodemdiertjes, terwijl het gras op de natte koude grond zo langzaam groeit, dat de vogels genoeg tijd krijgen om hun gezin groot te brengen.

De invloed van het moderne agrarisch beheer is tegenstrijdig. Enerzijds betekent bemesting een rijkere bodemfauna en dus een groter voedselaanbod voor de vogels. Anderzijds leidt diezelfde bemesting tot een snellere, betere grasgroei. Dat betekent meer koeien per hectare, die vroeger worden ingeschaard, en vroeger maaien - zodat steeds meer nesten verloren gaan.

Over het algemeen geldt dat grote dieren zoals neushoorns of olifanten langer leven en minder nakomelingen produceren, terwijl kleinere dieren zoals ratten en konijnen eerder sterven en dat compenseren door een hoge aanwas. Ook bij de weidevogels zien we, dat kleinere soorten veel korter leven. Toch leggen alle steltlopers onder de weidevogels maar vier eieren. Behalve de scholekster, die houdt het bij twee. Kleinere vogels, als watersnip, kemphaan of tureluur, die korter leven, moeten uit die vier eieren dus een hoger rendement zien te halen en kunnen zich minder mislukte legsels permitteren. Daarom verstoppen ze hun nesten beter in het hoge gras. Tegen nestrovers is dat een goeie strategie, maar tegen vertrapping door koeien of machines helpt het niet. Tegenwoordig werkt het zelfs in hun nadeel, want de goedwillende boer, die best nesten wil sparen, ziet juist deze goed verstopte nesten over het hoofd. Een hogere veebezetting en een vroegere maaidatum treffen kleine weidevogels dan ook harder dan grotere soorten. Daar komt nog bij, dat deze kleinere vogeltjes pas later gaan broeden, omdat ze afwachten tot het gras een veilige hoogte heeft bereikt. Als het legsel dan toch mislukt, hebben ze niet veel tijd meer voor een herkansing.

Niet elke broedvogel laat zomaar over zich lopen. De kievit gaan soms met uitgespreide vleugels pal voor de neus van de koe staan wapperen, scholeksters duiken agressief krijsend op de naderende grazer af. Grutto's daarentegen, die bij het naderen van een predator juist zo vreselijk agressief zijn, laten hun nesten vrijwel zonder protest door een koe vernielen en ook tureluurtjes komen heel timide van hun nest af om niet zelf te worden platgestampt.

Ook op het naderen van de cyclomaaier wordt verschillend gereageerd. Steltlopers stormen meestal zelf net op tijd weg, maar soorten als kemhaan, tureluur, slobeend en zomertaling laten het nest niet in de steek en worden dan ook met hun broedsel vermalen.

Bij permanente beweiding met volwassen koeien verdraagt de kievit ruim één en de grutto bijna twee beesten per hectare. Bij tureluur en kemphaan houdt het bij énén koe per hectare op. Gemiddeld moeten de weidevogels een broedsucces van 60 procent halen om hun gelederen in stand te houden. Alleen de scholekster is een buitenbeentje. Die legt maar twee eieren en krijgt weinig jongen, maar omdat hij zelf vrij oud wordt is dat niet zo erg.

De scholekster en andere grotere weidevogels hebben het weiland pas onlangs als broedterrein ontdekt. Het vrouwtje, dat in een dag of vijf vier flinke eieren moet leggen, heeft daarvoor een naar verhouding enorme hoeveelheid extra eiwitrijk voedsel nodig. Grotere vogels, die grotere eieren leggen, komen daar pas aan toe als het grasland vrij intensief wordt benut. De scholekster, van oorsprong een kustvogel, is pas in de jaren vijftig en zestig in het weiland gaan broeden en de nog zwaardere wulp pas vanaf de jaren zeventig, in het West-Nederlandse grasland komt hij nog steeds niet voor. Beide soorten nemen als broedvogel nog steeds in aantal toe.

De weidevogelatlas behandelt niet alleen de diverse soorten en hun gedrag, maar ook hun geschiedenis en favoriete leefgebieden, de lotgevallen van de legsels en de overlevingskansen van de kuikens, de aanpassing van weidevogels aan de veranderende landbouw en de relaties met landbouw- en natuurbeleid. Ook doortrek- en overwinteringsgebieden krijgen ruim aandacht. In het slothoofdstuk wordt de balans opgemaakt. De conclusie luidt, dat het er niet best voor staat. Als de boer zich netjes aan de optimale graslandgebruikskalender van het Proefstation voor de Rundveehouderij houdt, maken de weidevogels geen schijn van kans. De kwartelkoning verdween al uit het hooiland toen de zeis plaats maakte voor de maaimachine. De kemphaan, de watersnip, en de tureluur - in de dagen van Thijsse nog talrijker dan de grutto - volgden.

Beheersgebieden

Toch kan het ook anders. In Noord-Holland zijn inmiddels genoeg reservaten en beheersgebieden om verdere achteruitgang van de weidevogelstand tegen te gaan. Andere provincies zouden dat voorbeeld kunnen volgen. Er kunnen vrijwilligers worden ingezet om de nesten in het broedseizoen te markeren en misschien moet men de boer een financiële beloning geven voor elk nest dat hij weet te redden.

Wat men ook doet, het voornaamste is volgens de schrijvers dat men op een perceel van jaar tot jaar hetzelfde beheer blijft voeren. Weidevogels zijn vaak erg trouw aan een bepaalde broedplaats. Als je het ene perceel elk jaar licht bemest en laat maait, wordt daar in de loop der jaren een dichte broedvogelstand opgebouwd. Het buurperceel, dat zwaar bemest wordt, blijft vogelloos. Wisselt men dit ineens om, dan ontstaat er een slachting onder de weidevogels en duurt het jaren tot dezelfde dichtheid weer is opgebouwd. Vogels vragen een constant beheer in de tijd, en variatie in de ruimte. Ze hebben meer aan 100 hectare reservaatsgebieden, verspreid over een mozaiëk van 200 hectare, dan aan één aaneengesloten blok reservaat. Voor herstel van de weidevogelstand van omstreeks 1970 moet er in totaal 100.000 hectare reservaatsgebied komen, vooral in Friesland en Zuid-Holland.

In de woorden van Albert Beintema: “Onze kinderen en kleinkinderen zullen niet meer op zondag op hun fietsje naar baltsende kemphaantjes kunnen kijken. Die illusie hoeven we niet te hebben. Wat kemphanenbeleid betreft zijn we in Nederland klaar. Maar de schreeuwende grutto op een paal als symbool voor oerhollands polderland in de 21e eeuw, dat moet kunnen.”