Onze man in Tanger

Ieder lid der zeemacht krijgt, alvorens hij op een schip gestationeerd wordt, een volle week nautische training. Ingewikkelde, om niet te zeggen waanzinnige, knopen leggen, roeien in een reddingssloep, het besturen van een heuse sleepboot en nog tal van zaken waar iedere matroos tijdens zijn loopbaan dagelijks mee te maken krijgt. Geen sinecure, al was het alleen al om de schipper, het hoofd van de school die ons de hele dag voor de voeten liep, enigszins te kunnen verstaan.

Een van de eenvoudigste zaken is het gooien van het 'keesje'. Een keesje is een klein met grind verzwaard lederen zakje ter grootte van een vuist dat wordt gebruikt om tijdens het aanmeren, de eerste lijn tussen wal en schip te leggen waarna overgegaan kan worden met het aanbrengen van de polsdikke trossen. De schipper doet het ons eerst even voor. Hij toont ons het keesje en laat iedereen er een keer aan frunniken. Dan loopt hij naar de waterkant en deelt ons mede, in de meest onverstaanbare vorm, dat hij nu het keesje zal gaan werpen. De schipper is zo'n man die bij alles wat hij doet ook nog eens moet zeggen wat hij doet, hij is als het ware zijn eigen verslaggever. Als een mislukte cowboy slingert hij zijn bos touw als een lasso tweemaal om zijn hoofd en laat het los. Het zakje schiet als uit een boog geschoten door de lucht, trekt het touw moeiteloos achter zich aan en plonst een aanzienlijk eind verder in het water. Voldaan glimlachend haalt hij het touw weer binnen en is het aan ons zijn afstand te overtreffen. Niemand slaagt erin maar het onderdeel 'keesje gooien' kan als volbracht worden beschouwd.

In de daarop volgende jaren heb ik heel wat keesjes gegooid zien worden die mij geen van alle zijn bijgebleven behoudens die ene keer.

In de meeste gevallen, bij het binnenvaren van een haven zorgt de plaatselijke havenmeester voor een groep potige kerels die ons vanaf de kade assisteren met het om de bolders leggen van de trossen. Zonder hen is aanmeren zo goed als onmogelijk. In enkele plaatsen echter is het animo om de Nederlandse bezoeker een handje te helpen niet zo geweldig. In het Marokkaanse Tanger, waar we na een week windkracht 11, totaal uitgeput, binnenliepen stond slechts één man op de wal. Een kleine, ietwat gekromde oude man met een puntbaardje en een zwart gebreid mutsje op zijn hoofd. Tussen zijn lippen hing een kort sjekkie waar geen rook meer uitkwam. Of hij die middag op óns stond te wachten of een gewoon wandelingetje maakte was ons niet duidelijk maar aangezien er buiten hem niemand in de verste verten te bekennen was bleef ons niet veel anders over dan hem tot onze trossenvanger te benoemen.

Door middel van de nodige handgebaren scheen hij te begrijpen wat hem te doen stond en maakte de kwartiermeester zich op hem het zorgvuldig opgerolde keesje toe te gooien. Om hem wat ruimte te geven nam iedereen een paar stappen afstand en begon hij voorzichtig te slingeren. Na drie keer zwaaien liet hij het keesje los. Twee seconden later lag onze man in Tanger knock out op de kade. Het keesje had hem zo hard op zijn neus getroffen dat hij onmiddellijk gestrekt ging en onbeweeglijk bleef liggen.

Nadat iedereen van het lachen was bekomen werd de benarde situatie waarin wij ons bevonden duidelijk: niet alleen zagen we hoe het gezicht van de man onder het bloed zat en er zich onder zijn hoofd een plas begon te vormen maar ook dreef de aflandige wind ons steeds verder van de kade.

Dat we later die middag, dankzij twee voetballende kinderen, toch nog aan konden leggen mag een echte boffer heten.