Moord op Rabin wortelt in 'bevrijdende' zege van 1967

TEL AVIV, 9 NOV. Dat trotse glimlachje op het gezicht van Yigal Amir, de moordenaar van premier Yitzhak Rabin, is de sinistere uitdrukking van de triomf over 'het kwaad'. Dat lachje, dat door een fotograaf bij de rechtbank werd vastgelegd, is de expressie van een door zijn God gezonden en door hem ontvangen boodschap dat Erets-Israel, het land van Israel, moest worden gered uit de handen van de 'verrader' Rabin, die bezig was dit joodse erfgoed over te dragen aan Yasser Arafat, een moordenaar van joden.

Yigal Amir was, evenals de Palestijnse zelfmoordterroristen van de Islamitische Jihad, bereid te sterven voor de heiligheid van 'het land'. Want alleen het klungelig optreden van de veiligheidsagenten rond Rabin kan verklaren dat het vuur op hem niet werd geopend. De geslaagde moordaanslag op Rabin heeft ideologisch-historische wortels in Israels 'bevrijdende' zege tijdens de Zesdaagse oorlog in juni 1967. Over Israel hing in de dagen die aan het bulderen van de kanonnen voorafgingen de psychose van een nieuwe ramp. Nauwelijks twintig jaar na de Holocaust werden in het joodse land tienduizenden graven in gereedheid gebracht om de doden te kunnen begraven. Toen de kruitdamp verrassend snel optrok en het leek alsof een goddelijk licht over het land scheen, legden orthodoxe joden de overweldigende zege uit als een 'vingerwijzing van God', terwijl seculiere joden zich plotseling baadden in 'territoriale veiligheid' doordat Israels legers aan het Suezkanaal, vlak bij Damascus en langs de rivier de Jordaan stonden.

Dat 'positieve collectieve trauma' voor het seculiere segment van de Israelische bevolking, zoals professor Uriel Simon van de faculteit van joodse studies van de Bar-Ilan universiteit de uitkomst van de oorlog van 1967 omschrijft, is volgens hem ook het vertrekpunt van de radicalisering van het religieus zionisme. In Yigal Amir (en anderen), die aan de religieuze Bar-Ilan universiteit rechten studeerde, culmineerde deze door rabbijnen gesanctioneerde mystieke interpretatie van het zionisme in de hoogste vorm van extremisme. Als 'soldaat van God' was hij bereid 'Rabin, de soldaat van de vrede' te vermoorden.

Voor de orthodoxe professor Simon, lid van de vredesbeweging Netivot-Shalom, is dit een afschuwelijke, misplaatste interpretatie van de waarden van het religieus zionisme, dat op drift is geraakt door de messiaanse gevoelens die in 1967 werden opgeroepen. “Voor 1967 werd er in deze kringen (de Nationale Religieuze Partij, indertijd een sterke coalitiegenoot van de socialistische MAPAI) nooit over veroveringen van Erets-Israel gesproken. Israel had in 1947 ingestemd met de deling van Palestina. “Op negen beav, (de dag die herinnert aan de verwoesting van de tempels) gingen we Har-Zion op en keken we met verrekijkers naar de Klaagmuur”, herinnert professor Simon zich nog goed.

Pag.5: 'Onwettige mutatie joodse godsdienst leidde tot moord'

Na de verovering van Jeruzalem in juni 1967 werd vanuit een volkomen nieuw verwachtingspatroon in overdrachtelijke zin met verrekijkers de hemel afgetast om de komst van de messias te kunnen aankondigen. Dat toen opgeroepen diepe, mystieke gevoel heeft het rationele, religieuze zionisme in een stroomversnelling gebracht na de Grote Verzoendagoorlog in 1973, die evenals de moord op Rabin een traumatisch effect had op de Israelische samenleving. Deze stroomversnelling werd een waterval toen het religieuze zionisme in 1977 in de nationalistische seculiere Likud- partij van Menahem Begin, die toen de algemene verkiezingen won, een bondgenoot vond wat betreft de ondeelbare heiligheid van Erets Israel, het land van Israel. Voordat dit verbond werd gesmeed was volgens professor Simon “de maatschappelijke energie van Gush-Emoniem” (het verbond der getrouwen, een idealistische, religieus-nationalistische nederzettingsbeweging die na 1973 uit de NRP ontsprong) al zo sterk dat premier Rabin in 1976, net voor zijn nederlaag tegen Begin, voor deze macht moest wijken en berusten in erkenning van de eerste, illegale nederzetting Sebastia, nabij Nablus. De ideologie van Gush Emoniem gebood niet alleen “het bevolken van het land van Israel” (dat wil zeggen het stichten van nederzettingen in Judea en Samaria, de Westelijke Jordaanoever), maar stond ook voor een maatschappelijke revolutie. “Het zionisme begon volgens de rabbijnen van deze beweging niet bij Theodor Herzl (de stichter van het politieke zionisme) maar bij de aartsvader Abraham”, zegt Simon. Deze nieuwe interpretatie van het zionisme was zo fundamentalistisch dat de democratie en de moderniteit werden verworpen. In hun vaak met hekken omheinde nederzettingen trokken de kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en elders zich terug in een spirituele gedachtenwereld die volkomen haaks kwam te staan op het 'moderne Israel' langs de kust van de Middellandse Zee. Universele studies werden verbannen. In de plaats van universiteiten schoten jesjivot (instituten voor uitsluitend religieus onderwijs) in de nederzettingen uit de grond, waar rabbijnen aan het hoofd kwamen te staan die de joodse religie voor hun territoriale doeleinden herinterpreteerden en aanscherpten.

De bekendste en invloedrijkste jesjiva is Merkaz Harav Kook (het centrum van rabbijn Kook) die een enorme invloed heeft uitgeoefend op de vorming van duizenden religieuze jongeren. Die drongen later niet alleen in het leger, maar ook elders in de elite van het land door waardoor de invloed van de seculiere idealistische jeugd uit de kibbutsiem (collectieve nederzettingen) op de Israelische maatschappij werd teruggedrongen. Volgens Simon is uit de jesjivot van Gush-Emoniem een herinterpretatie van de halacha, de joodse religieuze traditie, voortgekomen die veel van het drama en schisma in de Israelische samenleving verklaart. Aan de drie mitsvot (opdrachten waaraan voldaan moet worden) in de halacha - het verbod op doden, overspel en afgoderij - werd een vierde toegevoegd: voor de heiligheid van het land moet het leven worden gegeven. Deze toevoeging werd volgens Simon door rabbijnen afgeleid uit het goddelijke gebod in de Tora om het “land te veroveren”. Hij signaleert verdrietig dat Israels opperrabbijnen nimmer stelling hebben genomen tegen deze deviatie. “Daarom is Yigal Amir trots op wat hij deed. Hij heeft bewezen dat hij bereid was voor de heiligheid van het land een martelaar te worden”, zegt hij.

Hij voorspelt dat de rechters die Amir zullen berechten een zware kluif aan hem zullen hebben, omdat ze tegenover zich een diep religieuze nationalistische jongeman zullen vinden die er een ideologisch proces van wil maken om nog meer aanhangers voor zijn verwoestend idealisme te winnen. Amir zal met citaten van rabbijn Yehuda Kook de rechters om de oren slaan. Zij zullen horen dat deze invloedrijke rabbijn heeft gezegd dat wie delen van Erets-Israel opgeeft een moser en rodeef is. Dat is religieuze terminologie voor wat in de seculiere wereld 'verrader en quisling' is. Een rodeef of een moser mag volgens de halacha worden gedood. “Dat het zover is gekomen dat Rabin in die categorie is gevallen is verschrikkelijk”, zegt Simon. “De moord op Rabin is het gevolg van onwettige mutatie van de joodse godsdienst.” Yigal Amir en dr. Baruch Goldstein, die de rechtenstudent voorging met zijn massamoord op biddende Palestijnen in de Ibrahim moskee in de Machpela-grot in Hebron, handelden in de geest van die mutatie. Professor Simon hoopt dat er onder de invloed van de moord op Rabin eindelijk “grote rabbijnen” zullen opstaan die in alle nederzettingen maar ook daarbuiten de boodschap zullen uitdragen dat “Rabin geen moser was”. Dat is volgens hem dringend nodig omdat er “meer Yigal Amirs” zijn. Simon zegt dat hij de moord op Rabin heeft zien aankomen. “Twee weken geleden sprak ik tijdens een bijeenkomst op het ministerie van onderwijs over verbaal geweld in ons land. Twintig procent van mijn toespraak was gewijd aan politieke moorden. Toen ik op het tv-scherm de grote vredesdemonstratie in Tel Aviv zaterdagavond zag zei ik: iemand kan een geweer opnemen en met een salvo het hele leiderschap van ons land vermoorden. Ja, ik was heel erg bang!”