Liplezen

'Twee criminelen bespreken in een stil hoekje van het café de moord die zij voor de volgende dag gepland hebben. Zij wanen zich veilig, omdat niemand binnen gehoorsafstand zit, maar toevallig zit een aantal tafeltjes verderop een dove die kan liplezen en die het gesprek afluistert'.

In thrillers is dit een bekend scenario, maar volgens de taalkundige Jane Coerts van de Universiteit van Amsterdam is zo'n voorval volstrekt onmogelijk. Waar het Nederlands gebruik maakt van zo'n veertig verschillende fonemen (klanken), zijn er slechts een tiental verschillende mondbeelden te onderscheiden die van belang zijn voor de betekenis. Een uitstekend liplezer vangt niet meer dan eenderde deel van de klanken op, omdat de produktie van veel klanken achterin de mond of met een gesloten mond plaatsvindt. Coerts: 'Ik vergelijk het altijd met raden wat er achter een blinde muur staat.'

De liplezer moet de gaten in het gesprek die hij niet kan zien, proberen in te vullen met andere middelen. Coerts: 'Veel moet uit de context worden afgeleid. Als het gesprek bijvoorbeeld over de trein gaat, dan kan bij het herkennen van 'ma...' veronderstellen dat het over een machinist gaat.' Daarnaast wordt gebruik gemaakt van grammaticale kennis, informatie uit de context, inlevingsvermogen, gehoorresten en raden om de overblijvende lege plekken op te vullen.

Han Alferink van het Doveninstituut in Sint-Michielsgestel beaamt dat liplezen op zich een uiterst moeilijke en creatieve vorm van waarneming is, maar hij merkt tegelijkertijd op dat hij veel leerlingen kent die onwaarschijnlijk goed liplezen: 'Ik zou een vertrouwelijk gesprek nooit voor de ogen van mijn leerlingen willen voeren. Zeker als ze kunnen raden waarover ik het heb, kunnen ze soms heel veel begrijpen.' Alferink acht het ook niet onmogelijk dat de moordplannen in het café door een uitzonderlijk begaafd liplezer worden doorzien.

Coerts en Alferink verschillen van mening over de rol die liplezen in het dovenonderwijs kan spelen. Coerts vindt dat alle dove kinderen naast onderwijs in het gesproken Nederlands zoveel mogelijk gebarentaal aangeboden moeten krijgen, omdat dit volgens haar onderzoek de verstandelijke ontwikkeling en de woordenschat vergroot en daarmee het liplezen bevordert. Alferink stelt hier tegenover dat zijn onderwijservaring leert dat het liplezen zich moeilijk ontwikkelt als simultaan de visueel sterkere code van de gebarentaal aangeboden wordt. Dove kinderen met aanleg voor liplezen zou verantwoord zuiver oraal onderwijs aangeboden kunnen worden. Alferink: 'Maar zodra een communicatienood bij de kinderen ontstaat, moet daar direct een extra visueel element aan toegevoegd worden.'

Minder discussie bestaat over de rol van het liplezen bij horenden. Deze is groter dan men zich doorgaans realiseert. Een baby van vier maanden kijkt al minder naar een televisiescherm, wanneer de mondbewegingen van de spreker niet synchroon lopen met het gezegde. Wanneer gekozen kan worden tussen twee schermen met monden die een 'oe' of een 'a' uitspreken en wanneer een geluidsband een 'a' laat horen, kijkt de baby liever naar de mond die 'a' zegt. De afkeer voor nagesynchroniseerde filmpjes is al vroeg aanwezig.

De vroege aandacht voor de mondbeweging is volgens de taalkundige Ann Baker van de Universiteit van Amsterdam zinnig, omdat het kinderen helpt bij het verwerven van de klanken van de moedertaal. Kinderen krijgen duidelijk zichtbare klanken als de 'm', 'b' en 'p' relatief snel onder de knie en zij zijn daardoor al vroeg staat 'mama' en 'papa' te zeggen. Baker: 'Blinde kinderen zijn wat dit betreft trager. Ook maken zij fouten die horende kinderen bijna nooit maken. Zij zeggen bijvoorbeeld (in plaats van 'baby') 'dedy' of 'gegy', terwijl ziende kinderen bijna alleen klanken verwisselen met hetzelfde mondbeeld.'

Baker: 'De meeste blinde kinderen blijken desondanks hun moedertaal prima onder de knie te krijgen, maar voor kinderen die bijkomende problemen hebben, kan het gemis aan spraakafzien zwaar wegen. Dit geldt bijvoorbeeld voor zwakzinnige kinderen.' Deze kinderen blijken vaak geholpen te worden als zij de kans krijgen hun handen op de lippen van sprekers te leggen.

Het liplezen is niet alleen van belang voor het aanleren van taal. Ook volwassenen blijven gebruik maken van informatie over het mondbeeld. Dit is het eerst ontdekt in lawaaierige omstandigheden. Toehoorders zijn veel beter in staat een boodschap uit achtergrondruis op te pikken, wanneer zij de spreker kunnen aankijken. De psycholoog Jean Vroomen van de Katholieke Universiteit Brabant vertelt: 'Het liplezen kan het verschil uitmaken of men tien of tachtig procent van de woorden kan verstaan. De spreker hoeft vijftien decibel minder volume te hebben om zich toch verstaanbaar te maken. Dit is het verschil tussen een gewone gesprekstoon en stemverheffing.'

Een vraag is op welk moment de hersenen gebruik maken van de informatie over het mondbeeld. De eerste theorie veronderstelde dat liplezen door horenden werd gebruikt als een soort back-up - wanneer de auditieve informatie onduidelijk was, werd op grond van de informatie over de lipvorm een beslissing genomen over welke klank dat was geweest. Vroomen: 'Deze theorie bleek echter onhoudbaar, toen onderzoekers bepaalde klanken bij een andere mondvorm lieten horen. De mond maakte bijvoorbeeld een 'ana' beweging, terwijl de geluidsband een onmiskenbaar 'ama' ten gehore bracht. De toehoorders bleken in deze gevallen een klank te horen die dicht bij de mondbeweging aanlag. De toehoorders zijn alleen in staat 'ama' te horen als de lippen de daarbij behorende sluitende beweging maken.' De waarnemer kan zich onmogelijk aan dit zogenaamde McGurk-effect onttrekken. Ook al weet iemand dat 'ama' op de band staat, dan nog kan hij dat alleen horen als hij zijn ogen sluit.

De hersenen gebruiken het liplezen dus niet alleen als back-up in moeilijk omstandigheden: het is een integraal onderdeel van de spraakwaarneming. Vroomen: 'De reden hiervoor lijkt te zijn dat de hersenen altijd gebruik maken van zoveel mogelijk informatie. De informatie uit de verschillende zintuigen wordt geïntegreerd om de kansen op fouten zo klein mogelijk te maken.'

Opvallend is dat het liplezen bij een aantal stoornissen niet normaal verloopt. Dyslexie is een aandoening waarbij kinderen zonder duidelijke oorzaak veel moeilijkheden hebben met het leren lezen en schrijven. Dit lijkt gepaard te gaan met een stoornis in de verwerking van spraakklanken. Wanneer bijvoorbeeld met behulp van een computer een reeks klanken is gemaakt die verlopen van een 'ka' naar 'ta', dan treedt bij normale toehoorders een zeer scherpe omslag op. Tot een bepaald moment is het 'ka' en daar voorbij is het 'ta'. Bij dyslectici is deze omslag veel diffuser. Een soortgelijk verschijnsel treedt op bij het aflezen van spraakklanken. Dyslectici hebben meer moeite met het uit elkaar houden van verschillende mondbeelden.

Bij autisten treedt weer een ander verschijnsel op. Zij kunnen uitstekend klanken uit elkaar houden en ook wat betreft liplezen doen ze niet onder voor anderen. Bij hen treedt het McGurk-effect echter veel minder sterk op. Zij horen nog steeds de klank die wordt uitgesproken, ondanks de mondvorm die het tegendeel suggereert. Vroomen: 'Dit wijst erop dat autisten moeite hebben met het bij elkaar brengen van informatie van verschillende zintuigen, maar een goede verklaring voor dit verschijnsel ontbreekt.'

Het is dus onduidelijk wat het liplezen kan leren over verstoorde hersenfuncties, maar volgens Vroomen zegt het wel iets over het menselijke taalvermogen. Als een baby van vier maanden al een verband weet te leggen tussen de lipvorm en klanken, moet de baby wel beschikken over aangeboren kennis over de manier waarop mensen spraakklanken vormen. De natuur heeft de dove liplezer dus wel op weg geholpen, maar liplezen blijft uiterst moeilijk. Alferink: 'In het café kan je bestellen met een simpele mondbeweging en door het omhoog steken van een aantal vingers. Toen ik echter bij wijze van test twee vingers omhoog stak en vroeg of ik naar de wc mocht, kreeg ik opnieuw bier.'