In Liefde Bloeyende

Wanneer de nacht reeds huivert door het lover

En nog de dag van de avondkim ons groet;

Wanneer de maan de blauwe bergen over

Verteedrend drijft met zachtgekleurde gloed;

Wanneer haar blik van 't ruim der stargewelven

De dauwdrup glanst, die aan de bloemstruik weent

En heel Natuur, half klagende in zichzelve

Zich tot een Elegie vereent.

Als 't is of de aard, bij 't deinzend lichtgewemel

Meer 't lijden voelt, dat op haar bodem drukt

En weemoedvol en smachtend naar de Hemel

Zich uit haar sfeer nabij de Hemel rukt;

In 't scheppingsuur van dwepende idealen, Dan brengt Natuur de sombre tonen uit

(Gelijk men soms hoort om een heuvel dwalen)

Der zacht gestemde herdersfluit.

Bernard ter Haar (1806-1880)

Bernard ter Haar, in de negentiende eeuw een heus volksdichter en op geen voordrachtsavond te ontlopen (zijn Abd-el-Kader was Het fluitketeltje onzer voorouders), is geen dichter van wie men zich nu nog een vers herinnert, of het moest de door Lucebert als motto gebruikte regel De vrede graast de kudde voor zijn. (Er staat in het origineel trouwens de kudden, meervoud). Met het verschaalde badwater is helaas ook het hierbij afgedrukte, geheel voldragen kind weggespoeld. Het verscheen voor het eerst in de almanak Calliope van 1837, maar het is gedateerd 1826. Ter Haar was dus pas twintig toen hij dit schreef. Het maakt deel uit van een cyclus gedichten die Het muzikale in de natuur heet. Het is een gedicht over muziek en het is zelf wonderlijke muziek. Op je twintigste zo lyrisch kunnen zijn om alle lyriek in je daarna zó te zien verstikken, de natuur springt wreed met talenten om. Wat was het toch in die eeuw, in de Nederlandse poëzie, waardoor elke toon die zuiver klonk, elk geluid dat hoopvol werd ingezet in de kiem werd gesmoord?

Dit gedicht hoort tot de schaarse bladzijden die wij uit een hele eeuw hebben aan Keats, Shelley, Wordsworth - alsof wij ons voor de zeventiende eeuw tevreden zouden moeten stellen met een vierkante centimeter schilderkunst, waarop fragmentarisch de knoop van een geschilderde mantel die wij ons alleen maar kunnen dromen. Stellig heeft de god van de poëzie ons land willen straffen in die eeuw. Het kwam maar zelden voor dat hij even niet oplette. Voor een jongen van twintig - ziehier - is hij één moment zwak geweest.

Je beseft al bij eerste lezing, nog voor je er iets van begrijpt, dat het hier om een goed gedicht gaat. De sensatie graast het begrip voor, zo gaat dat bij alle grote kunst. Je weet al dat het goed is nog voor je weet waarom het goed is.

Het gedicht heeft mij lange tijd in verwarring gebracht. Ik liet mij bedriegen door oog, oor en verstand. Uit de eerste regel las, hoorde en wist ik dat de nacht zich aankondigde, maar er bleven ook allerlei associaties met het ochtendgloren - met die tweede schemertoestand, aan de andere kant van de nacht - door mijn indrukken spoken. Het kwam door het 'groeten van de dag' uit de tweede regel, door de glanzende dauwdrup verderop, en door het 'deinzend lichtgewemel' in de tweede strofe, wat ik op een of andere manier las als een terugwijkend gekrioel van lichtjes, een verblekende sterrenhemel dus.

Je kan iets je hele leven fout blijven lezen. Bij een groot gedicht komt het ook wel eens voor dat je denkt: nu ga ik het eens echt goed lezen. Niet dat zoiets in de kunst per se moet, maar je wordt wel eens geteisterd door een ijverige bui. En in die bui herkende ik mijn vergissingen meteen. Natuurlijk is er in de tweede regel sprake van een afscheidsgroet van de dag aan de avondkim, aan de horizon in het westen. Natuurlijk is de wenende dauwdrup de avonddauw, die beglanst wordt door de blik van de maan. Het WNT noemt dit gebruik van glanzen als 'glans spreiden op iets' al 'ongewoon' en geeft als enige voorbeeld uitgerekend een zin uit De St. Paulusrots van Ter Haar

(Men ziet)... hoe de zon het zeildoek glanst

maar hoe ongewoon ook, ik had het zelf met gemak kunnen raden, en al even natuurlijk was het geweest om het lichtgewemel te lezen als het zich druk roerende daglicht. Een betekenis die overigens óók weer door het WNT wordt bevestigd, met een citaat uit een andere radicaal vergeten negentiende-eeuwer: “Toen weldra uit d'Oosterhemel / De morgen 't eerste lichtgewemel / Op 't hoge kustgebergte goot.”

Het gedicht handelt dus niet over twee schemertoestanden, maar uitsluitend over het invallen van de nacht, over het uur waarin het lam wijkt voor de wolf, over het klaaglijke geluid dat de muziek der sferen dan begint voort te brengen, maar ach, achteraf passen mijn mislezingen en halve indrukken wel bij de sfeer van weifeling en ambiguïteit van het gedicht. Weifeling en aarzeling die men tot in het ritme terugvindt, de regels worden nergens een dreun, zelfs met al die parallellismen niet, en zo'n zin als Wanneer de maan de blauwe bergen over

Verteedrend drijft met zachtgekleurde gloed

zo'n zin zou ik, als het niet zo tuttig klonk, ronduit zangerig noemen. Of zijn wij het die een gedicht over muziek tegen wil en dank een soort zangerigheid opdringen?

Beide strofen, hoe dan ook, eindigen met bovenaardse klanken, precies in het stille oog van de wervelstorm.

We zijn hier heel ver verwijderd van het rechttoe-rechtaan en de huiselijkheid van bijna alle Nederlandse negentiende-eeuwse poëzie. Ook mensen die meer verstand van poëzie hebben dan ik zullen, dunkt me, moeten erkennen dat Ter Haar hier soms een cryptische, ik wou bijna zeggen moderne dictie hanteert. Zoals in die regels met de aarde die, terwijl het lijden op haar bodem drukt, naar de hemel smacht en die zich toch uit haar sfeer nabij de hemel lijkt te rukken. Maar op een natuurlijke wijze begrijp ik dat het hier om een sensatie van verlangen en gedwongen afscheid tegelijk gaat, en meer is ook niet nodig. Zoals het elders in dit gedicht om huivering en groet tegelijk gaat, om vertedering en klacht tegelijk, om somberheid en zachtgestemdheid tegelijk, om zweven en dwalen en zich verenen tegelijk - om de idylle en om de naar de keel grijpende idylle. Hoe vaker men het herleest, hoe sterker de indruk wordt dat men de melancholie, de twijfel, de haast ondraaglijke tussentoestand, de herdersfluit die als de alarmsirene is, niet beter zou kunnen verwoorden. En die los neergeworpen recapitulatie van de twilight zone als 't scheppingsuur van dwepende idealen, die is schitterend.