Het tarievenboekje is de bijl aan de wortel van het notariaat

De inrichting van het notariaat staat weer ter discussie, maar waar gaat het nu eigenlijk om? Noch het Tweede-Kamerlid R. van der Ploeg noch de voorzitter van de Koninklijke Notariële Broederschap mr. K.E.J. Dijk raken in hun bijdragen op deze pagina's de kern van het probleem.

Van der Ploeg (13 september) breekt een lans voor de notaris als ambtenaar, dan wel, mocht die optie niet verkozen worden, voor de vrije toetreding tot het ambt. Van der Ploeg onderbouwt zijn betoog met de gebruikelijke argumenten: het staatsmonopolie en, door de wijze waarop de notarissen zich hebben georganiseerd, de excessieve inkomens. Hij meent dat het notariaat niet the best of both worlds kan hebben. Het moet kiezen voor het ambt met het bijbehorende vaste ambtelijke inkomen, òf voor het vrije ondernemerschap met de daarbij horende concurrentie.

Dijk pareert die opvatting met eveneens bekende argumenten (16 september). De notaris moet onpartijdig zijn. Het ondernemerschap staat daarbij in de weg. Deze stellingname rechtvaardigt een half ambtelijke status. Zijn ambtsplicht, niet de hoogte van zijn honorarium, behoort de notaris in beweging te brengen. In het laatste geval zou hij zich immers vooral inspannen voor de partij die hem betaalt. De notaris behoort dientengevolge betaald te worden per verrichting. Dit is geregeld middels een ingewikkeld tarievenstelsel, belichaamd in het tarievenboekje, dat voor sommige verrichtingen vaste (hoge) tarieven (onroerend goed), voor andere verrichtingen vaste (lage) tarieven (familiepraktijk) en voor weer andere verrichtingen betrekkelijk lage minimumtarieven (vennootschapspraktijk) voorschrijft. Een door de Broederschap geëntameerd kostenonderzoek moet uitwijzen of en in hoeverre dit systeem van vaste en minimumtarieven, voor wat betreft de hoogte van de tarieven, aanpassing behoeft.

Ik meen dat geen van beide betogen de kern van de zaak raakt.

Het notariaat heeft, in het verleden, goed gefunctioneerd en doet dat in de onroerend-goed-praktijk nog steeds. Er is geen land ter wereld waar de onroerend-goedtransacties zo goed verlopen als in Nederland. Het notariaat is terzake goed georganiseerd en voert vlekkeloos alle juridische handelingen van onroerend goedtransacties uit, inbegrepen het financiële verkeer dat daarmee verband houdt. De betrokken partijen kunnen met een gerust hart al die werkzaamheden aan het notariaat overlaten. De relatie tussen het notariaat en de inmiddels hoog geautomatiseerde en geprivatiseerde kadasters leidt ertoe dat, doorgaans een dag nadat de onroerend-goedtransactie is voltrokken, de eigendomsoverdracht is voltooid en de kadasters ten bewijze daarvan stukken kunnen produceren waaruit van die voltooing blijkt. Nederland is daarin uniek.

Statistieken wijzen uit dat circa driekwart van de omzet van het modale notariskantoor gegenereerd wordt door onroerend-goedtransacties. Omdat die transacties gezegend zijn met hoge vaste tarieven, leidt het hoge aandeel van het onroerend goed in de totale notarispraktijk tot hoge inkomens. Dáártegen en niet tegen de kwaliteit van de notarisdiensten, loopt het publiek storm, onder aanvoering van de vereniging Eigen Huis. Wat Eigen Huis over de kwaliteit van de notaris opmerkt, getuigt van weinig inzicht in de notariële onroerend goedpraktijk van alledag.

Gegeven de wijze waarop het notariaat in de onroerend goedpraktijk functioneert, is er naar mijn oordeel geen reden om enige wijziging te brengen in de status van de notaris, een openbare ambtenaar die zelf zijn inkomen bij elkaar sprokkelt.

Het hiervoor beschreven tarievenstelsel is evenwel fnuikend voor de ontwikkeling van het notariaat. Het notariaat heeft zich, als gevolg van dat stelsel, eenzijdig ontwikkeld en verliest fors terrein in de familie- en vennootschapspraktijk. Het tarievenstelsel gaat namelijk uit van de zogenaamde kruissubsidiëring. De hoge tarieven voor verrichtingen in de onroerend-goedpraktijk maken te lage, respectievelijk matige tarieven mogelijk voor de verrichtingen in de familiepraktijk en de vennootschapspraktijk. Indien alle notarissen een niet gemiddelde praktijk zouden hebben - een praktijk waarin de notarissen zich voor de familiepraktijk of voor de vennootschapspraktijk op gelijke wijze zouden inspannen als voor de onroerend goedpraktijk - dan zou het systeem van kruissubsidiëring werken. De hoge omzetten van de onroerend-goedpraktijk zouden dan binnen elk kantoor worden afgeroomd door een groot aantal matig tot minder-dan-matig betaalde verrichtingen in de familie- en vennootschapspraktijk. Het afgeroomde bedrag zou dan kunnen dienen om dure medewerkers in te zetten, waardoor de kennis op die rechtsgebieden op een hoog niveau zou kunnen blijven.

De praktijk van alledag is helaas anders. De notarissen concentreren zich op de onroerend-goedpraktijk. Die praktijk levert hen het beste rendement op, als gevolg waarvan op die praktijk de beste medewerkers worden ingezet. De familie- en vennootschapspraktijken krijgen van de gemiddelde notaris te weinig aandacht. De familiepraktijk wordt doorgaans door aankomende kandidaat-notarissen gedaan; een vennootschapspraktijk is op vele kantoren nauwelijks meer aanwezig.

Het notariaat heeft zodoende, als gevolg van het tarievenstelsel, niet op zijn zaak gelet. Advocaten, belastingadviseurs en accountants hebben dat wel gedaan. Zij hebben opgepakt wat het notariaat heeft laten liggen. Was de notaris traditioneel een deskundige bij uitstek van de successiewet, het erfrecht en het huwelijksgoederenrecht, thans zit die deskundigheid ook, en helaas in veel gevallen alleen maar, bij de accountants, de belastingadviseurs en de advocatuur. Zij hebben het aan een akte voorafgaande adviestraject veelal geheel overgenomen. Deze drie categorieën van vrije beroepsbeoefenaren verlenen hun diensten tegen uurtarief. Zij kunnen daardoor deskundigheid inkopen waardoor zij op kwalitatief hoog niveau hun diensten kunnen verlenen, ook op de rechtsgebieden waarop de notaris dat niet meer kan, of beter, niet wil. Hij (de notaris) houdt zich liever met onroerend goed bezig. Daar speelt hij nog een hoofdrol en genereert hij een hoog inkomen. Voor het overige dreigt hij te verworden tot een eenvoudige stempelaar, een gevolg van de tarieven waaraan het notariaat zo hecht.

Ook de onpartijdigheid van de notaris wordt bedreigd door het tarievenstelsel. De notaris is voor bijna driekwart van zijn omzet afhankelijk van zijn onroerend goedpraktijk. Grote toeleveranciers voor die praktijk zijn de makelaars en de projectontwikkelaars. Zij zijn grote spelers op de onroerend-goedmarkt, die de meegaande notaris grote omzetten kunnen bezorgen, daarentegen de kritische notaris die omzetten kunnen onthouden. Wiens brood men eet...

Mijn betoog leidt vanzelf tot de conclusie dat ook de notaris zijn diensten moet gaan verlenen tegen uurtarief. De onroerend-goedtarieven kunnen daardoor nog meer omlaag, de andere tarieven zullen omhoog moeten. Het notariaat kan zelf een verrekeningscentrum opzetten. De notaris die een grote onroerend-goedpraktijk heeft, zal aan dat instituut betalen. De notaris die een grote familiepraktijk heeft zal van dat instituut ontvangen. De laatstbedoelde notaris kan daardoor de familiepraktijk (blijven) bemensen met deskundigheid en verloren gegaan terrein heroveren. Daarentegen dient de notaris een openbaar amtenaar te blijven met een staatsmonopolie. Alleen zij die bewezen hebben over voldoende kennis en ervaring te beschikken, mogen tot het ambt toetreden.