De magie van Snaefellsjökull; Onder de vulkaan

Voor de meeste IJslanders is Snaefellsjökull (sneeuwberg- gletscher) slechts een monument van klassieke schoonheid. In deze barre wildernis zaten gedurende vele eeuwen gemeenschappen van soms enkele honderden zielen. De oorspronkelijke bevolking vertrok en de toeristen kwamen, maar wat bleef zijn de geologische wonderen, de trollen en de mythische verhalen en gedichten.

Hoe het 'bericht' dat buitenaardse wezens zouden landen op Snaefellsjökull in de wereld kwam, zal altijd wel een mysterie blijven. Tweehonderd UFO-watchers en andere goedgelovigen wachtten op 5 november 1993 tevergeefs aan de voet van de uitgedoofde vulkaan. De dag verstreek zoals alle andere. De in dikke wolken gehulde top gaf geen geheimen prijs, oude noch nieuwe. Maar dat deed geen afbreuk aan de reputatie van de berg op de westelijke punt van het schiereiland Snaefellsnes aan de westkust van IJsland. Met zijn klassieke vorm en zijn witte sneeuwkap is Snaefellsjökull al eeuwen omgeven door mysteries. Wie op een mooie heldere dag in IJslands hoofdstad Reykjavik de vulkaan op 120 kilometer ziet glinsteren, voelt zich onweerstaanbaar aangetrokken.

Sommigen schrijven Snaefellsjökull (letterlijk: sneeuwberggletscher), de al achttien eeuwen uitgedoofde vulkaan, magische krachten toe, ondermeer omdat kompassen ter plekke 'doorslaan'. De Franse schrijver Jules Verne liet zijn fantastische Reis naar het binnenste der aarde (1864) beginnen in de krater van de 1446 meter hoge berg. Voor de meeste IJslanders is Snaefellsjökull in de eerste plaats een monument van bijna klassieke schoonheid dat de natuur voor zichzelf lijkt te hebben opgericht. Maar het land tussen de berghellingen en de zee is ruig en desolaat als op weinig andere plekken in IJsland. Komend uit het overbevolkte Nederland kun je je nauwelijks voorstellen dat in deze barre wildernis gedurende vele eeuwen mensen woonden. Van die gemeenschappen, die soms enkele honderden zielen telden, zijn weinig sporen overgebleven - tegen de krachten van de natuur is hier weinig opgewassen. De omgeving van Snaefellsjökull is daarmee ook symbolisch voor de hoge prijs die vulkanen, aardbevingen, zware stormen en barre koude hebben geëist van degenen die op dit eiland wilden overleven.

Op IJsland, waar het gevaar altijd aanwezig is, telt een mensenleven daarom misschien meer dan elders. Enkele weken geleden bleek dat indrukwekkend toen een lawine twintig mensen doodde in het vissersdorp Flateyri, dat als zovele andere IJslandse dorpen gebouwd is tussen de zee en een berghelling. Het verlies van twintig levens is een nationale ramp in dit lege land met slechts 256.000 inwoners. Een week na de tragedie kwamen alle schoolkinderen van Reykjavik, met een brandende kaars in de hand, in het centrum van de stad bijeen om de slachtoffers te herdenken. Duizenden volwassenen sloten zich spontaan aan. Het werd een unieke plechtigheid: ongeveer 30.000 mensen namen uiteindelijk aan de bijeenkomst deel - ruim tien procent van de bevolking.

Snaefellsjökull is om velerlei redenen een geliefd reisdoel. Toeristen bestijgen de berg, meestal met behulp van robuuste four-wheel-drive-auto's en snelle snowscooters. Ervaren wandelaars kunnen dicht bij de gletscher komen, die met zijn oppervlakte van 22 vierkante kilometer relatief klein is (twaalfde in grootte in IJsland, dat in Vatnajökull de grootste gletscher van Europa heeft). De meeste bezoekers blijven echter aan de voet van de berg, die in zuidelijke, westelijke en noordelijke richting omringd is door enorme lavavelden, geelkleurende zandstranden en woeste rotsen waarop de golven van de Noord-Atlantische Oceaan zich uitleven.

In dit landschap leeft maar een handjevol mensen, boeren en vissers, met de herinnering aan vorige generaties en, misschien nog meer, aan het geheimzinnige 'huldifolk' (verborgen mensen) dat zich achter bergen en kliffen schuil hield. Elke rots heeft hier een naam. Een gat in een rotsformatie heet Trollakirkja (kerk van de trollen), een vreemde lange rotspunt is een trol die door zonlicht werd getroffen en dus versteende. Aan de voet van de vulkaanhellingen, tussen de lavavelden, zijn bronnen met krachtig mineraalwater dat de vruchtbaarheid zou bevorderen van degenen die het drinken.

Búdir, ten zuidoosten van Snaefellsjökull, is een geliefde verblijfplaats voor wie de magie van het leven Onder de gletcher (gelijk de titel van een boek van IJslands enige Nobelprijswinnaar Halldor Laxness) wil ervaren. Eeuwenlang was Búdir een vissersgehucht. In 1930, toen het destijds nog straatarme IJsland door de economische crisis werd getroffen, vertrokken de laatste inwoners. Alleen de mooi gerestaureerde kerk uit de vorige eeuw en een groot houten huis, ooit de winkel van de Deense handelaar Clausen, bleven over. Het knusse huis is sinds 1948 een zomerhotel, dat al jaren een solide gastronomische reputatie heeft. Vanuit de aangebouwde serre kijk je uit over een lang strand met geelgoud zand en de uitlopers van de Búdahraun, een 915 hectare groot lavaveld met in het midden Búdaklettur, een 88 meter hoge vulkaan die eruit ziet als een half doorgesneden rond brood.

Op een steenworp van Búdir, westelijk van het lavaveld, ligt het gehucht Arnarstapi, met een lilliput-haventje verborgen tussen grillige basalten rotsformaties die soms doen denken aan vierkante orgelpijpen. Een vierkante gestalte, gemaakt van keien, stelt Bardur voor, een trol die hier in de eerste jaren van de kolonisatie (in de negende eeuw) geleefd zou hebben. In Arnarstapi voel je volgens de overlevering de magische kracht van Snaefellsjökull het sterkst - het landschap heeft hier een woeste schoonheid, die - naar het woord van Laxness - 'sterfelijke zorgen overstijgt'. Dat gevoel wordt 's zomers vaak gevierd op de campings in beide gehuchten, waar je overwegend IJslanders aantreft.

Drie kilometer verder in zuidwestelijke richting ligt Hellnar, net als de twee eerder genoemde plaatsjes ooit een bloeiende gemeenschap en nu een gehucht met een pittoresk haventje. Hier kwamen enkele honderden IJslanders en een paar buitenlanders deze zomer voor het eerst bijeen voor een 'Snaefellsás' (vergadering) ter ere van de toverberg. Bij het ondergaan van de magie zat het trouwens niet mee, zoals blijkt uit het verslag van de bijeenkomst. “Het gelukte ons niet om de regen op afstand te houden.” Zoals vrijwel overal op IJsland zijn van het leven van de gewone mensen in het verre verleden rond Snaefellsjökull alleen de poëzie en de verhalen overgebleven. Kathedralen zijn hier nooit gebouwd en de vissershutten zijn verdwenen, verzwolgen door de zee.

De meeste IJslanders kennen Hellnar van een verhaal uit de zeventiende eeuw dat ze op school leren. Het staat op naam van Kolbein Grimsson (1600-1682), die faam verwierf als de 'jökullskjáld' (gletscher-dichter). Het vertelt van een weddenschap tussen een man, Kolbein, en de duivel, Kölski genaamd. Terwijl ze hier op een rotspunt nabij de zee zaten, zouden ze gezamenlijk een gedicht maken. Om de beurt zou de een een dichtregel beginnen die de ander moest voltooien. Nadat zo een aantal regels was gemaakt, haalde Kolbein een mes te voorschijn waarmee hij het maanlicht liet spiegelen in het gezicht van Kölski. De duivel kon daardoor 'geen poëzie meer vinden' om het gedicht te beëindigen. Kolbein deed dat zelf, gaf vervolgens Kölski een trap waarop deze naar beneden stortte en spoorloos 'in as' verdween.

Van het plaatsje Dritvik (vernoemd naar drijvend hout, dat hier aanspoelt), op de zuidwestelijke punt van het schiereiland, heeft de zee die hier 's winters genadeloos kan zijn, niets overgelaten. Eeuwenlang - tot 1860 - was Dritvik, aan de voet van de eerder genoemde Trollenkerk in de rotsen, een tamelijk groot vissersdorp. Op het nabijgelegen strand Djúpalónssandur liggen nog drie van de vier keien die mannen moesten optillen om te bewijzen dat ze geschikt waren voor het zware werk in de roeiboten waarmee men de oceaan opging. De lichtste (23 kilo), Amlódi genoemd, is zoekgeraakt, maar Hálfdraetingur (49 kilo), Hálfsterkur (140 kilo) en Fullsterkur (155 kilo) zijn er nog. Een man voor wie 49 kilo te zwaar was, telde niet mee.

Verborgen in de uitgestrekte en ontoegankelijke lavavelden rond Gufuskálar, ten noorden van Dritvik, zijn - voor wie zich grote moeite wil getroosten - resten te zien van een kleine dertig hutten die gebruikt werden om vis te drogen. Aangenomen wordt dat deze hutten tussen 1200 en 1400 zijn gebouwd; ze zouden de oudste overblijfselen van menselijke bouwactiviteit in IJsland zijn. In deze omgeving voel je je van God en de mensen verlaten. De gewone beschaving is niettemin zichtbaar in de vorm van de 412 meter hoge zendmast die de Amerikanen van de militaire basis Keflavik hier in 1953 bouwden voor, zoals het officieel heet, navigatie van schepen en vliegtuigen rond IJsland. (Onofficieel: voor de bestrijding van Sovjet-onderzeeërs in de Noordatlantische Oceaan.) Destijds gold de mast als het hoogste bouwwerk van Europa.

De enige min of meer verharde en soms geasfalteerde weg die tussen de lavavelden in de barre eenzaamheid rond Snaefellsjökull kronkelt, wendt zich daarna weer naar de kust met twee welvarende vissersdorpjes, Hellissandur en Rif. De geschiedenis van Rif gaat terug tot 1400, maar hier rest alleen de overlevering. In de vijftiende eeuw plunderden Engelse zeelui het dorp en dat leverde, zoals zo vaak in IJsland, een verhaal op dat zich in het geheugen van de natie heeft vastgezet. In 1437 overvielen de Engelsen een boerderij, waarbij de boer en zeven andere mensen werden gedood. De weduwe zei toen tot een geschokte overlevende: “Je moet niet huilen, Björn Bondi, maar mensen verzamelen.” Het is nog steeds een bekend gezegde in IJsland.

Het laatste dorp nabij Snaefellsjökull aan de noordelijke kust is Olafsvik, een moderne vissersplaats zonder bijzondere geschiedenis. De magie van het leven onder de vulkaan is hier grotendeels verdwenen. Er is al een andere wereld, die gericht is op Breidafjördur, een brede zeeëngte met maar liefst 2700 eilandjes, een paradijs voor vogels, vissers en liefhebbers van Sint Jacobsschelpen. Stykkishólmer, nog wat verder naar het oosten, is met zijn 1200 inwoners, zijn fraaie haven en zijn oude huizen - zoals het Norska Huset (1828) - het handels- en cultuurcentrum van het schiereiland Snaefellsness.

In de vorige eeuw, niet lang voordat in Stykkisholmer een theater werd geopend (1876), leefde rond Snaefellsjökull een autodidactische schilder, Sölvi Helgason, die schilderijen van bloemen en planten heeft gemaakt. Hij werd herhaaldelijk wegens kleine vergrijpen op boerderijen rond de vulkaan gevangen gezet. Het leven van deze onverzettelijke 'wandelaar van IJsland' die zich door geen wet of gebod liet weerhouden in zijn zoektocht naar de kleine en grote wonderen van de natuur, beschreef David Stefansson later in een nog altijd veelgelezen boek.

De titel Solon Islandus is ook de naam van het artistieke en literaire café in Bankastraeti in Reykjavik, waar veel reizen naar de magie van Snaefellsjökull beginnen - en soms ook eindigen voordat ze begonnen zijn. Want als je het café verlaat, en om de hoek in de verte kijkt, kun je soms, als de dag helder is, Snaefellsjökull in zijn witte pracht zien.