De grote uitverkoop van eerlijk werken

MOSKOU. Het geluid van herrijzend Moskou is dat van de slijptol en de dragline. In de immense eetzaal van Stalins hotel Moskva zitten nog vier gasten, een verlopen goochelaar bedelt bij de tafels een handvol roebels bij elkaar, en zelfs een bord kippesoep is er niet meer te krijgen. Maar buiten, waar de sneeuw neerdwarrelt, wordt aan de toekomst gebouwd. Voor het hotel is een onvoorstelbaar grote bouwput gegraven, zeker enkele honderden meters lang en tientallen meters diep. Daar zal een nieuw, onderaards Kremlin verrijzen, een shopping mall van ongekende allure, en er wordt gewerkt alsof alle leven in deze stad ervan afhangt, dag en nacht, met alles wat leger en bedrijfsleven aan kranen, bulldozers en manschappen kunnen bieden. Moskou lijkt op een huis na een echtscheiding: na een periode van ontkenning en verbijstering is er een golf aan activiteiten losgebroken. De halve stad heeft twee, drie banen en rent van het ene zaakje naar het andere. Er wordt geschilderd en getimmerd, het ene café na het andere wordt geopend, de middenstand begint wortel te schieten, sinds een paar weken kan er bij het Rode Plein met een Hollandse giromaatpas geld worden getrokken, iedereen die langskomt staat paf over de vaart waarmee de stad verandert, en ondertussen trekken de pioniers van het zakenleven alweer verder, de provincie in.

Schuin achter het hotel maakt het Bolsjoi Theater zich op voor de bouw van een compleet nieuw theatercomplex. The Moscow Times beschrijft een oud appartementsgebouw dat daarvoor tegen de vlakte moet en schetst en passant de bewoners van het pand: de gepensioneerde Yevgeny Grislov die na de verhuizing voor het eerst in zijn leven hoopt te beschikken over een eigen keuken en toilet,interieur-ontwerper Clarissa Ringlien en haar echtgenoot Wayne Ringlien van de Wereldbank met hun compleet in pre-revolutionaire stijl gerenoveerde appartement, een Zwitserse zakenman die zijn volkswoning voor bijna honderdvijftigduizend dollar heeft omgebouwd tot een wit en anderszins minimalistische gebeuren, de glanzende kantoren van de Moskou Baltija Bank, en daarnaast nog eens zes families die tezamen één communaal appartement bewonen en zich verheugen op de verhuizing naar een driemaal grotere ruimte. Het tekent de stad. De vrouwen in het wisselhok van het hotel pakken gedachtenloos de dollars van de plank, rommelen wat in hun la met roebels en smijten de klanten hun rantsoen aan duizendjes toe, alsof het gaat om een willekeurige gunst. Geld heeft in deze stad nog altijd iets ijls. Al is de inflatie sterk afgeremd, de toegangsmunt voor de metro is in drie jaar tijd tweehonderd keer zo duur geworden. In het café naast de disco op het Poesjkinplein zit de jeunesse dorée aan de koffie met Franse cognac, de kinderen van de hedendaagse nomenclatura van bankiers, zakenlieden en scharrelaars. De toegang tot de disco ernaast bedraagt dertig dollar, ongeveer het halve maandinkomen van een topjournalist, en het is er, zo wordt me verteld, eeuwig vol. Geld zweeft hier, geld telt niet echt - en tegelijk is het allesbepalend. “Het is grote uitverkoop van spaarders, eerlijke inkomsten en fatsoen”, schreef Erich Maria Remarque over de inflatiekoorts van de Weimar-republiek in 1922, en in het Moskou van 1995 is het niet veel anders: de gieren komen van alle kanten aangevlogen en alleen degene met macht, foute vrienden en een grote bek is goed af.

“Het grote probleem hier is de marginalisering van iedereen die gewoon werkt”, zei de Russische historicus Evgenii Rashkovsky op het kleine symposium waarvoor wij, als handvol westerlingen, naar deze stad waren gesleept. “Wij hebben gewone mensen altijd gebruikt als grondstof, als pijpleidingen en als bakstenen. Dat was zo in de tijd van de communistische bureaucratie, en dat is nog steeds zo in de tijd van het nieuwe kapitalisme.”

Ondertussen keken de zeventiende eeuwse banden van Barlaeus en Descartes op ons neer, wellicht ooit door de inkopers van tsaar Peter de Grote uit Amsterdam meegenomen en uiteindelijk beland in de conferentiezaal van de Bibliotheek voor Buitenlandse Literatuur. De bijeenkomst ging over racisme, anti-semitisme en vrijheid van meningsuiting, maar de sprekers sloegen, zoals gebruikelijk hier, geen zijpad over: de een reciteerde gedichten, de ander voerde een pleidooi voor de spirituele zuivering van Rusland in het algemeen en de orthodoxe kerk in het bijzonder - het was trouwens opvallend hoeveel van de aanwezige intellectuelen en journalisten gefascineerd waren door de kerk en, gelovig of niet, uit alle macht probeerden daar een vinger achter te krijgen - en een derde las eenvoudigweg voor uit een grote map knipsels.

Dat laatste was trouwens niet het minst interessant, want het was anti-semitisch materiaal dat sinds Der Stürmer niet meer is vertoond: cartoons, boeken - Mein Kampf, De Protocollen van de Wijzen van Zion, Het Laatste Testament van Hitler - kranten, en dat allemaal zo te koop bij het voormalige Leninmuseum. De spreker citeerde een gedicht uit De Russische Boodschapper: “Rusland sta op/Probeer je te bevrijden van de duisternis/Geef niet het leven aan joden/Dus, sta op Rusland/En vernietig de joodse vrijmetselaars/En was de planeet schoon/Van de joodse plaag”.

Buiten was het fruit van de stalletjes overdekt met een dun laagje sneeuw. Rijen vrouwen stonden op de trappen van de metrostations te kleumen, met hun schaarse koopwaar in de hand: een paar worsten, wat potten jam, een zelfgebreid vest, een jong poesje. In de gang zong Natasja Boerlina de ene aria na de andere, met een geldbakje voor zich. Ze was beroeps, ja, in de opera, maar daar kan toch geen mens van leven. Op een hoek van het gigantische bouwterrein hadden de arbeiders een schuiltent neergezet, van een paar zeilen en wat afvalhout, met een oude kachel in het midden. Daaromheen zaten vier bouwvakkers te roken, en een soldaat. De arbeiders hadden zwarte en blauwe mutsen op, eentje had zulke gezwollen ogen dat hij door de spleetjes nauwelijks nog iets leek te kunnen zien, de soldaat keek jong en krijgshaftig de wereld in. De sneeuw viel met dikke vlokken.

Even verderop lagen de drukke winkelstraten met de grote merken, met Armani, Dunhill, Volvo en Dior. In een zijgang schoof ik langs een groepje jonge mannen. Ik hoorde een paar Russische woorden, ik voelde een stomp, hoorde dan iemand achter me roepen: “Schwein!, Schwein!”, dan “Jude!”, dan een trap, dan “jüdisches Schwein”, en ik zag schuin achter me, ik kon mijn ogen niet geloven, hoe een man zich opmaakte om me op mijn nek te springen.