ASVA 50 jaar op sterven na dood

Jos Dohmen en Oscar Steens: Bevrijding en bezetting. Vijftig jaar Algemene Studenten Vereniging Amsterdam. Vossiuspers AUP, Amsterdam 1995, 284 blz., ƒ 25,-, ISBN 9056290126

In de allereerste Amsterdam-encyclopedie, Het ABC van Amsterdam (1952), staat onder de letter A: 'A.S.V.A. (Algemene Studentenvereniging Amsterdam) is na de bevrijding ontstaan als algemeen overkoepelend orgaan voor alle studenten en zetelt in het gebouw Kriterion in de Roeterstraat.'

In de herziene en uitgebreide editie van 1964, Amsterdam van A tot Z, staat letterlijk dezelfde korte tekst. En wat las ik in de vorige maand verschenen derde, dubbel zo dikke editie, Het XYZ van Amsterdam?: 'A.S.V.A., Algemene Studentenvereniging Amsterdam, is na de bevrijding ontstaan als algemeen overkoepelend orgaan voor alle studenten en zetelde eerst in het gebouw Kriterion in de Roetersstraat, momenteel in het pand Spinhuissteeg 1.'

Zo te zien is er bar weinig veranderd, behalve het adres. Maar schijn bedriegt, zo blijkt uit het vorige week verschenen boek van Jos Dohmen en Oscar Steens over 50 jaar ASVA. Onveranderlijk kan de ASVA zeker niet genoemd worden.

Het concept van de ASVA dateert uit de oorlogsjaren. Op 7 december 1943 publiceerde het landelijke illegale studentenblad De Geus onder studenten een plan van 'een vooraanstaand Amsterdams student' om te komen tot een overkoepelend verband: 'Het primaire doel van de Algemene Vereniging is de behartiging der belangen, die voor alle studenten gemeenschappelijk zijn: algemene studiebelangen (bijv. boekenbeurs), materiële belangen (mensa, gezondheidszorg) en vertegenwoordiging naar buiten.' Ook zou die vereniging moeten 'bijdragen tot de oplossing van het nihilistenprobleem' (steeds meer studenten werden geen lid van een gezelligheidsvereniging: de 'knorren') en 'het doorbreken van de waterdichte vakken, waarin de studentenwereld verdeeld was'.

Dohmen en Steens tonen aan dat het ASVA-initiatief niet uit de lucht kwam vallen, maar ze doen dit zo breedvoerig dat hun verhaal moeizaam op gang komt. Pas op bladzijde 52 is de oprichting van de Algemene Studenten Vereniging (25 mei 1945) een feit. De geestelijke vader van het ASVA-plan, de hyper-intelligente en inspirerende rechtenstudent Arthur ('Boems') Meerwaldt, maakte het niet meer mee: hij stierf op 8 januari 1945 in Duitse gevangenschap.

Al snel bleek dat het ideaal van Meerwaldt maar zeer ten dele kon worden uitgevoerd. Een van de oorspronkelijke idealen was om ook 'nihilisten' de kans te geven met andere studenten van sporten en van cultuur te genieten. Inderdaad werden onder ASVA-vlag een toneelvereniging (Helicon), een basketbal- en een volleybalclub (BASVA en VASVA) opgericht, maar door regelrechte obstructie van het Amsterdams Studentencorps (ASC) en de andere gezelligheidsverenigingen was deze clubs - althans in ASVA-verband - geen lang leven beschoren. En tegen het openen van een ASVA-clubhuis (ook een plan van Meerwaldt) spraken de participerende verenigingen meteen hun veto uit. Al die faciliteiten waren immers van oudsher argumenten bij de eigen ledenwerving! Vooral ASC en (het katholieke) Thomas kónden de ASVA ook hun wil op leggen omdat zij de dienst uitmaakten in de Ledenraad, het 'ASVA-parlement'. Ieder presenteerden ze een kandidatenlijst voor de jaarlijkse rechtstreekse verkiezingen onder alle studenten.

Studenteneettafels

Dat deden trouwens ook de meer studieuze clubs op levensbeschouwelijke grondslag, zoals de christelijke NCSV en de linkse debatingclubs Politeia (verbonden met de PvdA) en Pericles (sympathiserend met de CPN). Maar zij vormden een minderheid. Gezien haar heterogene achterban stelde de ASVA zich angstvallig neutraal op. In 1948 beijverde ze zich weliswaar voor de benoeming van de linkse kandidaten Jef Suys en Jacques Presser tot lector en hoogleraar in de nieuwe Politiek Sociale Faculteit, maar juist omdat deze degelijke wetenschappers overduidelijk op politieke gronden geweerd dreigden te worden.

Onder druk van de gezelligheidsverenigingen liet de ASVA in 1951 formeel elke pretentie varen om alle studenten aan het culturele, sportieve en sociale studentenleven te doen deelnemen. Voortaan hield ze zich alleen nog bezig met materiële belangen, zoals studentenhuisvesting, studenteneettafels en studentengezondheidszorg. Ook werd, vooral onder het bewind van Erik Jurgens en zijn opvolger Frits Bolkestein (1955-57), een indrukwekkend stelsel van reducties opgezet. De gedetailleerde opsomming door Dohmen en Steens geeft tegelijk een mooi beeld van de toenmalige levensstijl van studenten: kortingen op bioscoopkaartjes en de schouwburg, maar ook op 'moderne zwarte herenkleding' bij Joh. Huijer en een behandeling bij Maison Petry, 'Coiffure pour dames'. De Nederlandse Opera maakte overigens snel een eind aan de reductieregeling: de studenten gedroegen zich niet netjes genoeg.

De jaren zestig brachten schokkende veranderingen. Dankzij een nieuw kiesstelsel, dat ruimte gaf aan meer programmatische kieslijsten, behaalde de jonge Studentenvakbeweging in 1965 de absolute meerderheid in de ledenraad. De conservatievere lijsten trokken zich terug en een aantal leden dat zich ergerde aan de linkse opstelling van het bestuur vormde onder leiding van Pieter Lakeman een concurrerende club, de OBAS. In 1969 was de ASVA een eenduidig linkse organisatie. Dat jaar beleefde ze tegelijk haar publicitaire hoogtepunt: tijdens de legendarische Maagdenhuisbezetting, voor meer studenteninvloed in het universitaire bestuur, promoveerde voorzitter Johan Middendorp tot Bekende Nederlander.

Ideologische crisis

Democratisering van de universiteit, was de nieuwe leuze, maar conform de tijdgeest hoopte men in een moeite door de hele samenleving te democratiseren. Toen dat minder vlot ging dan gehoopt, sloeg een ideologische crisis toe die minstens tien jaar duurde - een tijd waarin de leden bij bosjes wegliepen. Naast actie voor meer bestuurlijke invloed bleef materiële belangenbehartiging centraal staan. Tijdens de acties tegen de collegegeldverhoging van begin jaren zeventig ('Duizend gulden nooit!') was er geen ruimte voor welk ander actiepunt dan ook. Voor het eerst voelde men dat opkomen voor het eigenbelang te rechtvaardigen was tegenover de buitenwereld. Het Politieke Vakbondsconcept, uitgedacht door de immer machtiger CPN-elite binnen de ASVA, hield de aanname in dat studenten automatisch solidair waren met de arbeidersklasse en andere verdrukten. Net als de arbeiders werden de studenten, wanneer zij voor hun eigenbelang opkwamen, belaagd door het grootkapitaal, vertegenwoordigd door de rechtse regering. Die bezuinigde op het onderwijs, om douceurtjes te kunnen geven aan de AKZO en de Shell.

Een minderheid binnen de ASVA verzette zich tegen dit beeld. Zij vonden dat studenten alleen het recht hadden een goede studiefinanciering en dergelijke te eisen, als ze de resultaten van hun studie inzetten om een rechtvaardiger maatschappij en een schoner milieu na te streven. Voor het eerst werd de studie-inhoud een belangrijk thema binnen de ASVA. In dit kader paste de opzet van Wetenschapswinkels, maar ook de eis van een 'confrontatiestudie' waarin verschillende wetenschapsopvattingen binnen het studieprogramma tegenover elkaar moesten worden gesteld. Om dat mogelijk te maken was het zaak zich te verzetten tegen de dreigende verkorting van de studieduur.

Versplintering

Nadeel van die inhoudelijke verdieping was dat ze een zekere versplintering teweeg bracht: vermaatschappelijking van de studie betekende aan de medische faculteit iets anders dan bij sterrenkunde of geschiedenis. Die diversificatie leverde, samen met een felle oppositie tegen de (overigens al afbrokkelende) hegemonie van de ASVA-communisten, rond 1980 een stevige organisatie-crisis op. Op dat moment duikt de recensent in het boek op, in zijn rol van ASVA-watcher bij het universiteitsblad Folia. De schrijvers memoreren zijn verzet tegen de kop die eindredacteur Ton Elias boven mijn mistroostige verslag zette: 'ASVA op sterven na dood'.

Hoewel Dohmen en Steens op basis van veel archiefstudie de ontwikkelingen uitstekend weergeven, is deze onderliggende principiële rechtvaardigingsdiscussie binnen de ASVA in de jaren zeventig de schrijvers goeddeels ontgaan. Dat zal wel te maken hebben met het feit dat ze, vermoedelijk uit tijdgebrek, bijna geheel hebben afgezien van het ondervragen van activisten van weleer. Mede daardoor is hun overigens soepel geschreven verhaal toch wat steriel geworden: de lezer ziet vrijwel nergens mensen van vlees en bloed voor zich. Toch is het boek bepaald niet zo saai als het mosgroene omslag en het ontbreken van illustraties doet vermoeden: hoe haalt een uitgever het in zijn hoofd een boek over zo'n kleurrijk stukje geschiedenis te presenteren als was het een proefschrift over moleculaire biologie?

Het slothoofdstuk, over de laatste vijftien jaar, lijkt toch weer het gelijk aan te tonen van de jongste Amsterdam-encyclopedie. Op zoek naar een nieuwe basis om zoveel mogelijk studenten te verenigen, strijdt de ASVA opnieuw onbekommerd voor het materiële eigenbelang van de studenten, zonder te redekavelen over een ideologische rechtvaardiging. 'De cirkel is rond', constateren de auteurs. De huidige ASVA wordt steeds neutraler en is bijna gefuseerd met de oude erfvijand OBAS. Zo lijkt ze sprekend op de ASVA van 1952 maar is tegelijk, zoals gewoonlijk, op sterven na dood.