Van Thijn: eerder vertrek was zuiverder geweest

DEN HAAG, 8 NOV. Oud-minister van binnenlandse zaken Van Thijn had eerder zijn ontslag moeten indienen na het uitbreken van de IRT-affaire begin 1994. Dat zei Van Thijn vanmiddag tijdens zijn verhoor voor de parlementaire enquêtecommissie. De voormalige burgemeester van Amsterdam kwam begin januari, vlak voordat de affaire uitbrak, naar Den Haag als opvolger van de overleden minister Dales.

“Ik was niet minister geworden om de zaak de vernieling in te jagen, maar om Wim Kok bij te staan in de eindperiode van dat kabinet. Dus de gedachte dat ik weer zou opstappen kwam niet onmiddellijk in me op. Maar als ik rustig terugkijk, anderhalf jaar later, dan constateer ik dat dat toch de meest zuivere gang van zaken was geweest”, aldus Van Thijn. Hij trad uiteindelijk pas af op 27 mei 1994, enkele uren nadat minister Hirsch Ballin (justitie) was opgestapt in verband met de affaire. Het kabinet was toen, na de Kamerverkiezingen, al demissionair.

Van Thijn zei verder dat er in het voorjaar van 1994 in de ministerraad nooit is gesproken over het feit dat het IRT uiteindelijk een partij harddrugs wilde laten importeren. Zijn collega Hirsch Ballin wilde dat geheim houden, aldus Van Thijn. “Ik had misschien mijn huid ermee kunnen redden”, zei Van Thijn, maar hij wilde zich wegens zijn vroegere betrokkenheid bij de zaak in Amsterdam in het kabinet niet met justitiële vragen bezighouden. De doorvoer van harddrugs had beslissend kunnen zijn voor het kabinetsstandpunt over de toelaatbaarheid van de werkmethode van het IRT, zei Van Thijn.

Van Thijn trok, net als in de Kamerdebatten over de IRT-affaire, opnieuw het boetekleed aan voor zijn rol als korpsbeheerder bij de overname van het IRT Noord-Holland/Utrecht in de zomer van 1993. Toen werd het gezag over dat team overgedragen van Utrecht aan Amsterdam, na langdurige organisatorische problemen tussen het OM en de betrokken politiekorpsen. Van Thijn verzuimde bij de leiding van zijn politiekorps te informeren hoe de overname van het IRT tot stand was gekomen. “Ik had een aantal zeer gekwalificeerde ambtenaren rondlopen bij de politie. Ik dacht: geen bericht, goed bericht. Achteraf was dat naïef.” Van Thijn nam het zijn commissaris J. van Riessen kwalijk dat hij hem nooit had geïnformeerd over de moeizame overgang van het IRT door politie en justitie in Amsterdam.

Van Thijn beklemtoonde dat hij in het verleden als burgemeester van Amsterdam “vele malen” heeft gewezen op de noodzaak om de zware, georganiseerde criminaliteit harder aan te pakken. Hij voorspelde al in 1989 dat er een parlementaire enquête zou komen als de bestrijding van de zware misdaad niet beter zou worden aangepakt en de verantwoordelijke politieministers niet “de beuk” erin zouden gooien.

Pagina 3: 'Controle van politie kan niet'

Vandaag precies twee jaar geleden kwamen de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt en hoofdofficier van justitie Vrakking bij hun burgemeester Van Thijn met de mededeling dat politie en justitie buiten hun weten “een drugslijn” runde en dat er “een grote partij cocaïne onderweg was” naar Nederland onder verantwoordelijkheid van het IRT. Nordholt en Vrakking zeiden tegen Van Thijn voor deze werkmethode geen verantwoordelijkheid te willen nemen. Van Thijn besloot daarop naar de ministers Hirsch Ballin en Dales te stappen om hen de zaak voor te leggen. Een maand later, op 7 december 1993, ontplofte het IRT door een besluit van de Amsterdamse driehoek.

Volgens D66-fractievoorzitter G.J. Wolffensperger, vanochtend aan het woord als voormalig justitiewoordvoerder van zijn fractie, kan de Tweede Kamer niet “van minuut tot minuut” controleren hoe de praktijk van het politiewerk uitpakt nadat het parlement wetgeving over opsporingsmethoden heeft gemaakt. “Als u mij vraagt: wist je nu precies wat er gebeurde bij de politie, zeg ik nee.” Dat de Tweede Kamer “heeft zitten slapen”, zoals de Nijmeegse hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht Corstens eerder tegen de commissie zei over de controlerende en wetgevende taken van het parlement, vindt de D66-fractievoorzitter “een bespottelijke mistaxatie van hoe de Kamer geacht wordt te werken”.

De Kamer kan volgens Wolffensperger niet anders werken. “Uiteindelijk komt het erop neer dat de Tweede Kamer vragen stelt, de regering geeft antwoord.” Wolffensperger zei dat de Tweede Kamer gaandeweg op de hoogte is geraakt van de praktijken van politie en justitie. In de vorige kabinetsperiode verweet hij toenmalig minister van justitie Hirsch Ballin dat deze te veel aandacht besteedde aan wetgeving en te weinig aan de “apparaatszorg”, de versterking van de politie, het openbaar ministerie en het gevangeniswezen.

Wolffensperger zei dat hij in het verleden regelmatig heeft geprobeerd de wetgeving van Hirsch Ballin af te remmen. De D66-fractie vond de rechtsbescherming van de burger te weinig werd gewaarborgd door de CDA-minister. Oud-premier Lubbers noemde de fractie om die reden ooit “een remmer in vaste dienst”. Wolffensperger beschouwde die typering als een “Geuzennaam”, zo zei hij vanochtend tegen de parlementaire enquêtecommissie.

Wolffensperger erkende dat dat hij nog steeds weinig afweet van de opsporingsmethode waarop het IRT stukliep, het begeleiden van een criminele informant die door een aantal succesvolle drugstransacties moest 'groeien' in de criminele organisatie waarvoor hij werkte. Het geheime gedeelte van het rapport van de commissie-Wierenga, waarin nader wordt ingegaan op de werkmethode van het IRT, heeft hij nog altijd niet gelezen. Als fractieleider heeft Wolffensperger inzage in die geheime stukken. “Daar heb ik het te druk voor en ik heb ook nooit zo de behoefte gevoeld die nu te lezen.”