Van slimme verstedelijking wordt het Groene Hart juist mooier

Minister De Boer heeft onlangs Zuidhollandse streekplannen afgekeurd omdat daarin te veel weiland was opgeofferd aan nieuwe woningen. Peter Smaal en Rik de Visser vinden dat het rijk krampachtig vasthoudt aan verouderde ideeën over het Groene Hart, die de teloorgang ervan veeleer bespoedigen.

De discussie over het Groene Hart woedt in alle hevigheid. Minister De Boer (ruimtelijke ordening) trekt het gebied in om met betrokkenen van gedachten te wisselen. Tegelijkertijd organiseert haar ministerie zogenoemde Groene Hart-gesprekken. Overheden, maatschappelijke organisaties en vaklieden mogen zich uitspreken over de toekomstmogelijkheden van het Groene Hart.

Opvallend is dat de rijksplanologen krampachtig vasthouden aan het restrictieve beleid voor het gehele Groene Hart. In combinatie met het feit dat de ambities voor het gebied vaag blijven, leidt deze eenvormigheid tot de conclusie dat het huidige beleid interessante ontwikkelingen belemmert.

Het Groene Hart-beleid gaat voorbij aan twee fundamentele zaken. Ten eerste wordt genegeerd dat het Groene Hart momenteel voor de Randstadbewoner een beperkte betekenis heeft. Het landschap is niet overal even mooi, kent nauwelijks openbare toegankelijke ruimte en voldoet beperkt aan de huidige recreatiebehoeften.

Ten tweede wordt vooorbijgegaan aan de mogelijkheid juist de verstedelijking te gebruiken voor de financiering van een kwalitatief hoogwaardige buitenruimte. De door het restrictieve beleid gecreëerde schaarste heeft ertoe geleid dat de overheden slechts traag en in de marge van de bestaande steden aan de grote vraag naar woningen kunnen voldoen. We praten over de zogeheten VINEX-locaties. Deze vaak onaantrekkelijke restgebieden zijn in de regel doorsneden door snel- en buitenwegen en daardoor erg duur. Veel geld om te investeren in de buitenruimte schiet er niet over. En dat laatste is juist hard nodig. Volgens de rijksplanologen dient het Groene Hart te fungeren als een grote openbare ruimte, een groene binnentuin, waar Randstedelingen kunnen recreëren, rust zoeken en ontspannen. Maar die reputatie maakt het maar ten dele waar. De landbouw is een steeds minder vanzelfsprekende garantie voor het behoud van het landelijk gebied in de Randstad.

Bovendien heeft het landelijk gebied in het Groene Hart de laatste decennia behoorlijk aan kwaliteit ingeboet. Juist als gevolg van rationalisatie en intensivering in de agrarische sector nam de openheid sterk af (boerderijverplaatsing), liep de weidevogelstand terug, verdwenen bloemrijke graslanden en verslechterde de waterkwaliteit. Aan de vraag voor avontuurlijke en natuurlijke recreatiegebieden wordt op dit moment in het Groene Hart nauwelijks voldaan. De Ecologische Hoofdstructuur, het belangrijkste groenprogramma voor het Groene Hart, is in de eerste plaats gericht op de intrinsieke waarden van de natuur en leidt vaak tot natuur, waar de recreant niet in mag.

Niet alleen de kwalitatieve achteruitgang van het Groene Hart is een probleem, ook de oppervlakte neemt af. Bijna nergens in Nederland zijn kernen en bedrijventerreinen harder gegroeid dan in het Groene Hart. Deze binnenwaartse groei in de Randstad heeft zich onder meer geuit in de groei van Zoetermeer, Hoofddorp, Gouda, Woerden en Vleuten-De Meern. Een vitale Randstad staat of valt met een kwalitatief hoogwaardige buitenruimte. Het Groene Hart kan deze rol in de toekomst spelen, mits we bereid zijn fors te investeren in dit gebied. De dreigende teloorgang van het Groene Hart kan alleen worden tegengehouden door het restrictief beleid gedeeltelijk los te laten. Via verstedelijkingsprocessen op bepaalde plaatsen in het Groene Hart ontstaan mogelijkheden om de werkelijk waardevolle delen te beschermen en/of te ontwikkelen. Dit kan omdat het huidige Groene Hart feitelijk uit zeer verschillende delen bestaat, met even zoveel verschillende kwaliteiten en mogelijkheden. Nu de bouwopgave almaar toeneemt en daarmee ook de claim op het Groene Hart, bestaat er dringend behoefte aan verduidelijking van de kwaliteit van deze pluriforme open ruimte en een visie op de versterking van de groene kwaliteiten. Doorbreking van de eenvormigheid van het rijksbeleid biedt perspectieven voor de volgende vijf ambities.

De droogmakerijen, de verveende gebieden, voornamelijk in het westelijk deel van het Groene Hart gelegen, herbergen op dit moment de minste kwaliteiten. Hier zou een kwalitatief hoogwaardige stedebouw hand in hand kunnen gaan met de ontwikkeling van parksystemen, waarin natuur, recreatie, schoonwaterretentie een schakel vormen tussen de verstedelijkte Randstad en de dele van het Groene Hart die wel grote kwaliteiten hebben. In de droogmakerijen liggen tevens de beste mogelijkheden voor het ontwikkelen van de twee belangrijkste natuurlijke refrenties van het Groene Hart: het woud en het moeras. Het draagvlak voor grote en aansprekende natuurgebieden in de Randstad is groeiende. Voor het moeras liggen de kaarten het beste in de centraal gelegen droogmakerijen. Hier is aansluiting mogelijk op de bestaande natuurkernen: de Nieuwkoopse plassen, de Vinkeveense Plassen en de Botshol. Een sterk vergroot Bentwoud ten oosten van Zoetermeer kan inhoud geven aan de wens van een natuurlijk bosgebied in de Randstad van formaat. Zowel voor het moerasgebied als het woud zal moeten gelden dat deze een combinatie gaan vormen van toegnakelijke natuur en avontuurlijke recreatiegebieden. De vierde ambitie is het ontwikkelen van nieuwe buitenplaatsen op de oeverwallen langs de rivieren in het Groene Hart. Het benutten van de mogelijkheden voor nieuwe landgoederen vormt een stedebouwkundige, landschapsarchitectonische en ecologische uitdaging.

De vijfde ambitie betreft het veenweidegebied: de traditionele hoeder van het internationaal vermaarde Groene Hart-imago. Hier zal alles op alles gezet moeten worden om het multifunctionele karakter en de kwaliteiten voor de agrariër, de recreant en de natuur te behouden. Landschappelijke openheid zal een belangrijk doel zijn. De meest gave en open gebieden, de parels, zullen daartoe moeten worden veilig gesteld, zo nodig door aankoop.

Deze ambities kunnen van de combinatie Randstad en Groene Hart werkelijk een groene metropool maken, maar ze kosten natuurlijk veel geld. Naast de huidige financieringsstromen vanuit overheden naar het Groene Hart kunnen de plannen gefinancierd worden door zogenoemde rood- groen-combinaties. Recente studies laten zien dat verstedelijking in het Groene Hart geld kan genereren voor de ontwikkeling van natuur en recreatie.

Ten opzichte van de huidige verliesgevende VINEX-locaties zijn de verstedelijkingslocaties in het Groene Hart veel beter te ontwikkelen. De grondprijzen zijn lager en er zijn minder fysieke belemmeringen voor woningbouw. Daarmee ontstaat winst: voor elke hectare stedebouw ontwikkelen we zes hectare natuur. Ofwel het bebouwen van drie droogmakerijen en het ontwikkelen van landgoederen langs de Oude Rijn en de Vecht maakt de ontwikkeling van een groot Bentwoud, een moerassen complex, kleinere groene functies en de veiligstelling van een deel van het veenweidegebied mogelijk.

Dat vraagt echter om een principiële verandering in het beleid voor het Groene Hart. Een nieuwe sturingsfilosofie voor ontwikkelingen in het Groene Hart is nodig. Deze komt er op neer dat provincies en gemeenten meer verantwoordelijkheden en mogelijkheden krijgen, terwijl het rijk de vinger aan de pols houdt.

Verstedelijking is mogelijk op een aantal plekken in het Groen Hart, echter op voorwaarde dat daar een (veel) groter areaal aan natuuronwikkeling tegenover staat. Een flexibeler beleid maakt het mogelijk dat overheden inspelen op marktontwikkelingen en tot publiek-private samenwerking komen. Voor de werkelijk waardevolle gebieden blijft het restrictief beleid van kracht: via verstedelijking komt echter extra geld vrij om deze gebieden actief te beschermen.

Het Groene Hart biedt uitstekende mogelijkheden om woorden om te zetten in daden. Daarbij is durf en delegatie van verantwoordelijkheden van de kant van de rijksoverheid nodig. De kwaliteit van het Groene Hart hangt er van af.