'Lijden hoort bij leven, je wordt er niet ongelukkiger, wel rijker van'; Bisschop Wiertz over bisdom Roermond na mgr. Gijsen

Pas één keer kwam bisschop F. Wiertz na zijn benoeming in 1993 tot bisschop van Roermond nadrukkelijk in het nieuws. Dat was vorige maand, toen de EO in een televisie-uitzending meldde dat in het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam kinderen, van wie werd verondersteld dat ze blind geboren zouden worden, waren geaborteerd. Bij de herinwijding van een Mariakapel citeerde Wiertz woorden uit de 'Apocalyps' toen hij sprak over “een vurige draak die aan de hemel verschijnt en het leven van het kind tracht te vernietigen.”

In zijn werkkamer in het bisschoppelijk paleis in Roermond zegt hij: “Ik stel vast dat zich over abortus en euthanasie in de hoofden van steeds meer, vaak ook heel eenvoudige mensen het idee is gaan nestelen dat het zaken zijn die zo maar één, twee, drie te krijgen zijn. Ik schrok geweldig toen kinderen me vertelden hoe hun zieke moeder, een brave vrouw, had gevraagd om euthanasie met als argument dat zij, de kinderen, de stervensbegeleiding niet meer zouden kunnen opbrengen. Alsof het een sociale must is geworden, iets salonfähigs. Ik hoor ook van artsen en ziekenhuizen die ervan schrikken hoe snel er, zelfs bij het geringste, om euthanasie wordt gevraagd. Het is alsof we in de schijnsituatie terecht zijn gekomen dat lijden te voorkomen is. Dat is grote flauwekul. Lijden hoort bij het leven. Je hoeft het natuurlijk niet te koesteren - christenen zijn geen masochisten - maar we hebben het vertrouwen dat je er, naarmate je er meer mee worstelt, niet altijd ongelukkiger door hoeft te worden. Integendeel, soms veel rijker.”

“Gelukkig”, zegt hij, “begint ook in bredere kringen van de samenleving het besef door te dringen dat je niet alles wat ongelukkig is in het leven zo maar weg kunt schuiven. Naar aanleiding van de uitzending van de EO stelde de PvdA'er Oudkerk, die zelf huisarts is, er bezorgde vragen over in de Kamer, dus het is geen puur christelijke aangelegenheid.

“Natuurlijk zijn er concrete situaties waarin een heel ander verhaal aan de orde is en waarin het geen zin heeft iemand de kop af te slaan of om als een soort commandant de regels voor te lezen.” Over de houding van de kerk tegenover de door haar nog altijd veroordeelde homoseksualiteit zegt hij: “Ik ben geen opsporingsambtenaar of een officier van justitie. Het heeft geen enkele zin om aan mensen die de weg naar God niet kennen geloofswaarheden te verkondigen. Die zullen dan terecht de vraag stellen: waar bemoei je je mee?”

De katholieke kerk van de jaren negentig past bescheidenheid. Dat beseft hij maar al te goed. “We zijn geen club die er op uit is de hele wereld te judassen met ons geloof. Door hogere scholing heb je te maken met vergruizing. Ik denk dat velen eraan gewend zijn geraakt voor zichzelf een pakket aan waarden samen te stellen. De mens is door alle informatie die hij krijgt gedwongen zelf te oordelen en kan niet meer wachten op wat de pastoor ervan zegt. In een bisschop zien ze evenwel toch nog een zekere tekenwaarde van algemene lijnen.”

De keren dat Wiertz in de publiciteit kwam zijn zeldzaam. De stilte was door hem uitdrukkelijk gewild. De Limburgse katholieke gemeenschap was bij zijn aantreden danig in het ongerede geraakt. Wiertz' voorganger dr. J.M. Gijsen, die na herstel van een ziekte nu apostolisch administrator is van IJsland, had meer ijselijkheid veroorzaakt dan goed was. Daarom had Wiertz het eerste jaar na zijn benoeming uitgeroepen tot het Vredesjaar.

Vrede komt toch na oorlog?

De bisschop, een radde prater, heeft dan zijn jasje al uitgetrokken: “In de vorige periode was sprake van een sterke polarisatie. Ik zeg niet dat onderhuids alle gevolgen daarvan zijn verdwenen, maar aan het oppervlak praat men nu heel wat genuanceerder over die tijd. Daar ben ik zelf ook voor. Ik vind namelijk dat een kerk niet voortdurend vechtend over de grond moet rollen. Waar ik kom word ik met welwillendheid en hartelijkheid ontvangen. Je kunt zeggen, als je de media leest, dat daarvan onder mijn voorganger geen sprake is geweest. Dat is het hele grote verschil. Ik kan me voorstellen dat het voor hem heel vervelend was. Ik zou ook niet graag de hele tijd spitsroeden willen lopen.”

Is hij de “lachende bisschop, die Limburg nodig heeft”, zoals kardinaal Simonis kort na zijn benoeming zei? Tijdens het vraaggesprek wordt niet zo veel gelachen. Hij is doorgaans zelfs zeer ernstig. “In Nederland en in Limburg kun je niet zeggen dat de kerk kerngezond is, eerder ziekelijk, terwijl ze op andere plaatsen in de wereld overigens uiterst vitaal is. In die omstandigheden heb je er niks aan om je in een bastion terug te trekken. Het geven van helderheid en identiteit is weliswaar geboden, maar die moeten niet zozeer uit leerstellingen komen of uit de angst voor de ander, maar uit je eigen overtuigingskracht, uit je gebed en het voorleven van het geloof.” Hij komt over als een innemend mens, die, zoals hij zegt, “niet toevallig is aangezogen, want de kerk in Limburg vroeg op dat moment om een ander type. Het kan best zijn dat er straks opnieuw iemand nodig is die de puntjes weer op de i moet zetten.” Kreeg hij van het Vaticaan de opdracht tot gematigdheid? “Neen, in die zin is nooit een suggestie gedaan”. Rector A. Blijlevens van de in Heerlen gevestigde Universiteit voor theologie en pastoraat (UTP) stelde in september in De Limburger vast dat er sinds de komst van Wiertz “een heel stuk ontspanning” optrad. “Priesters lijden niet meer aan het angstsyndroom of ze wel orthodox genoeg bezig zijn”, aldus de rector. Ook de directe omgeving van de bisschop toont weer haar humaan gezicht. Een van de vicarissen geeft pro Deo kwartjes voor de parkeerautomaat. De zuster-portier stopt ze om het uur in de meter. De bisschop schenkt zelf de koffie in.

Hij is sinds zijn benoeming vijftien kilo afgevallen. Toen hij nog redelijk corpulent op zijn eerste audiëntie ging, had de paus gezegd: 'Bischof Gijsen war ein viel schlanker Mensch', zegt Wiertz. “Dat was niet alleen grappig bedoeld. Het afvallen, waarbij ik me overigens heel lekker voel, zegt iets over de gecompliceerdheid van het ambt van bisschop.” Hij praat over zijn moeder, die bij hem woont en die nu met haar gezondheid sukkelt. In zijn vorige standplaats, Heerlen, waar Wiertz deken was, ving zij, met zijn instemming, drugsverslaafden op met melk en Liga. De 150.000 gulden die ter gelegenheid van zijn wijding als geschenk werden ingezameld, worden gebruikt voor de bouw van een tehuis voor zwerfjongeren in Heerlen. “Dat hoeft niet in de krant. Ik wil er alleen maar mee zeggen dat de katholieke kerk ook maatschappelijk nog wat voorstelt en dat je zonder veel poeha heel concreet kunt werken voor mensen die in problemen zitten.”

Het gesprek wordt gevoerd in het dialect. Dat is van zijn kant het Kerkraads. In Kerkrade werd hij 53 jaar geleden geboren als oudste in een gezin van negen kinderen. In Kerkrade spreekt men de 'g' uit als 'j'. En zo klinkt herhaaldelijk uit zijn mond het begrip 'Herjot', van het Duitse 'Herrgott'.

In de grote hal beneden hangen de portretten van zijn voorgangers van vòòr de Franse revolutie. Toen was nog praktisch heel Limburg katholiek. Nu is het aantal kerkgangers teruggelopen tot vijftien procent. Het zijn streng uitziende, meestal geleerde prelaten. Zelf is Wiertz er trots op dat hij een “gewone pastoor, geen professor” was toen hij werd benoemd. Of hij het zo lang als Gijsen, die 21 jaar Roermonds bisschop was, uithoudt, waagt hij te betwijfelen. “Op een gegeven moment raken energie en creativiteit op. Ik zou daarna best weer gewoon ergens naakt van voor af aan willen beginnen.”

In de katholieke kerk 'controversieel' genoemde onderwerpen als de vrouw in het ambt, de inzet van pastorale werkers en geboortenregeling, of de gerezen conflicten met katholieke scholen die een door Gijsen opgesteld apart voor Limburg geldend reglement dienden te ondertekenen (wat de meeste weigerden), vindt hij “afgezaagde onderwerpen, waarover je bovendien niet als een wilde standpunten moet gaan innemen”.

In de kwestie van het reglement worden volgende maand “belangrijke stappen gezet”. Welke wil hij niet zeggen. Wel: “Het was geen lieflijk landschap op het moment dat het er kwam, maar het heeft, moeten we eerlijk zeggen, niet goed uitgepakt”. De Limburgse dominees bezocht hij tijdens hun convent. “Ik heb er gezegd dat het toppunt van oecumene niet is om grensoverschrijdend bezig te zijn, maar om toenadering te zoeken, anders krijg je met de ene of met de andere groep geweldige bonje.”

Liever heeft hij over de kerk “met Christus als de zingever, een kerk die met beide benen op de grond staat en die wordt gevormd door normale mensen, die gezamenlijk hebben dat ze in God geloven maar niet in staat zijn zieken plotseling weer gezond te maken, de economie gunstig te beïnvloeden of een kind, dat ongewenst geboren is, zo te betoveren dat het zich op slag helemaal gelukkig voelt. Je moet begrip opbrengen voor mensen in moeilijke omstandigheden, hen trouw bewijzen en niet beginnen met ze te plaatsen in het duivelshok.”

Als de opmerking wordt gemaakt dat het erop lijkt dat er een “liberaal” aan het woord is, wordt hij, naar het voorkomt, wat korzelig: “Ik voel niks voor uitspraken waarmee een oordeel boem-boem over mensen die niet voor het kerkelijk standpunt kiezen wordt uitgestort. Of u dat liberaal wilt noemen, moet u zelf weten. Ik praat slechts in de vrijheid die is gebonden aan d'r Herjot.”