Licenties voor terreur

De moord op Yitzhak Rabin heeft het Israelische volk wel geschokt maar is niet als een volslagen verrassing gekomen, schrijft onze correspondent Salomon Bouman. Hij citeert politici, schrijvers en professoren die steeds bezorgder hadden waargenomen hoe door het vredesproces de Israelische samenleving werd gepolariseerd. Hoe ver dat is gegaan, wordt duidelijk uit de reportages van de reacties in het bijzonder van de joodse gemeenschappen in de Verenigde Staten. “Hij had twee doden moeten sterven”, zei een rabijn die overigens niet zijn best deed om zijn tevredenheid over deze enkele dood te verbergen. Zijn begrafenis wordt beschouwd als een der zwaarst bewaakte plechtigheden in de geschiedenis. Waar 'wereldleiders', vooral groepsgewijs, zich in het openbaar vertonen, heerst levensgevaar.

De fotograaf Erich Lessing heeft vastgelegd hoe op de topconferentie van Genève in 1955, ondanks de nood der tijden, de kernwapenwedloop, de onverzoenlijkheid der tegenstellingen en de bijbehorende angsten in de wereld, de grote vier er op een grasveldje onbekommerd bij zaten. Geen veiligheidsagent te zien. Veertig jaar later lijkt het een idyllisch plaatje.

Politieke moorden zijn van alle tijden, maar de omstandigheden wisselen en daarmee de rechtvaardigingen die de moordenaars zichzelf toedenken. Zeven jaar na dat vredige tafereel uit de Koude Oorlog werd John F. Kennedy vermoord. De redenering waarmee Lee Harvey Oswald zijn daad rechtvaardigde is nog altijd ondoorzichtig. Hij was een eenling, zijn daad was niet de laatste vervulling van een collectieve razernij, zo'n zorgvuldige gekweekte en instandgehouden hysterie van bloeddorst. Dat was al wèl het geval met de moord op de Westduitse werkgeversvoorzitter Hans-Martin Schleyer door een lid van de Rote Armee Faktion. De misdadigers wisten zich gesteund of half gesteund door een crypto-revolutionaire stroming in de publieke opinie die, zoals een student het heeft uitgedrukt, met klammheimliche Freude, stiekeme instemming, zijn einde begroetten. De vervolging van de moordenaar en de opsporing van degenen die tot zijn medeplichtigen werden gerekend, is daarna ook niet vrij van razernij geweest - of van excessen, zoals we het vriendelijk noemen. Het is intussen goeddeels vergeten, waaruit blijkt dat de Duitse justitie en politiek er als instituten tenslotte ongeschonden uit tevoorschijn zijn gekomen.

In de afgelopen campagnes van de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de tussentijdse van 1994 is het misschien verrassender dat in het bijzonder Bill Clinton voor geweldpleging gespaard is gebleven. De sfeer tegen hem als kandidaat en daarna tegen de president en zijn vrouw als rechtmatige bewoners van het Witte Huis was van dien aard dat je op den duur eerder verrast was niet door een aanslag te zijn opgeschrikt. De opruiers van de 'haat-radio' hebben op hun gebied, binnen de perken van het 'verbaal geweld' er in elk geval alles aan gedaan om het zover te laten komen. Voor de persoon Clinton valt het mee: niet meer dan een paar ongeregelde krankzinnigen hebben de afgelopen jaren van veraf op het Witte Huis geschoten, terwijl anderen die misschien tot een organisatie horen een kantoorgebouw in Oklahoma hebben opgeblazen.

Hoe gemakkelijk, zegt men na iedere daad van terreur, is het voor de eenling om toe te slaan, en hoe kwetsbaar is de moderne maatschappij. Dat mag tot op zekere hoogte waar zijn, maar daarop volgt een andere constatering: hoe snel herstelt in het algemeen de 'kwetsbare' maatschappij zich van zo'n op zichzelf verwoestende aanval. De kwetsbaarheid gaat gepaard met een groot incasseringsvermogen. Op de aanslag volgt geen revolutie maar een tijdelijke mobilisatie, en soms permanente vergroting van de paraatheid, zoals iedereen weet die weleens in een vliegtuig stapt. De maatschappij verweert zich aan haar grenzen, verandert niet revolutionair maar blijft zich ontwikkelen in haar eigen trage tempo. Daaruit volgt dat de revolutionair die in deze tijd zijn toevlucht tot geweld neemt, naar zijn eigen maatstaven altijd contraproductief is. Dat blijkt opnieuw na de dood van Rabin: de krachten van het vredesproces zijn versterkt en de 'wereldleiders' verzamelen zich om hun steun te betuigen.

Intussen is er een merkwaardige tegenstelling ontstaan. Terwijl telkens weer blijkt dat de daad van terreur contraproductief is, wordt de sfeer van opruiing, razernij waaruit de terrorist zijn rechtvaardiging put, opgewondener of 'opgefokt' zoals het met een modern eufemisme in het Nederlands heet. Degenen die de normen van de min of meer fatsoenlijke samenleving niet uit het oog verliezen, die zo goed en zo kwaad als het gaat binnen de voorschriften van de democratische staat leven, krijgen de neiging - ten onrechte - zich de minderheid te voelen. Ik zeg het zo voorzichtig mogelijk. 'Opgefoktheid', extase, terreur, geweld zetten de toon; mensen die in een gesticht of achter de tralies thuishoren, worden tot de helden van het nieuws. De dader wordt 'interessanter' dan het slachtoffer. Uit kunstzinnig of dramatisch oogpunt valt daar soms iets voor te zeggen, maar dit is geen kunst in een zaal; het is een aspect van de politiek op straat: het ernstigste, dat gaat over leven en dood.

We weten langzamerhand dat na de Koude Oorlog de maatschappelijke orde, die zich betrekkelijk statisch had gehandhaafd, door allerlei tegenstellingen is overvallen. Tegelijkertijd is de media-industrie tot een der grootste ter wereld geworden. Al te gemakkelijk is het nu, 'de' media de schuld te geven van het aanwakkeren der tegenstellingen, direct door de exploitatie van haat en als medeplichtige door het infotainment. Natuurlijk is de werkelijkheid zoals altijd veel ingewikkelder. 'De' media bestaan niet. Er is wel een bepaald soort dat onbewijsbaar, op veilige afstand een deel van de verantwoordelijkheid draagt door het kweken van haat of gewoon het bevorderen van de 'opgefoktheid'. Daar wordt de drempel van het geweld verlaagd en ten slotte de licentie voor de terrorist geschreven.