Komisch kleinburgerlijk gedoe in de lunchpauze

Voorstelling: Rouwkost van Bert Edelenbos door Toneelgroep Amsterdam. Regie: Bert Edelenbos. Decor: Paul Gallis. Spel: Bert Edelenbos, Sigrid Koetse, Adriaan Olree, Fred Goessens, Hans Kesting. Gezien: 7/11, Bellevue, Amsterdam. Nog te zien: aldaar t/m 3/12. Lunchpauzevoorstelling. Aanvang 12u30, tot 13u30. Inl. 020-6247248.

Van oudsher is schrijver en acteur Bert Edelenbos geïnteresseerd in oudere vrouwen. In zijn toneelstukken - tien tot dusver en overwegend aangeduid als 'tragi-komedies' - wemelt het ervan. Soms zijn ze middleclass, zoals in Verf (1990), vaker hebben ze het sociaal-economisch minder goed getroffen. Het neemt niet weg dat ze keurig zijn, intens keurig zelfs. Maar de erker van hun rijtjeshuisje is de grens van hun blikveld. Hun moraal bestaat niet zozeer uit denkbeelden als wel uit uitdrukkingen, roestvrijstalen formules, uit de overlevering en nimmer op waarheid getoetst. Terwijl ze een gordijntje rechttrekken en de geranium van een dor blad ontdoen, kunnen de vrouwen van Edelenbos - alles in het goedmoedige - reuze botte dingen zeggen.

Deze vleesgeworden cliché's van het gewone omringt de schrijver bij voorkeur met het ongewone, dat wil zeggen met het homoseksuele. Minstens éen van de vrouwen is dus moeder en heeft dus een zoon. Maar in Rouwkost, het nieuwste stuk dat als lunchpauzevoorstelling wordt uitgevoerd door Toneelgroep Amsterdam, heeft de zoon geen moeder meer - wat meteen de titel verklaart. Ze is net overleden en haar eikenhouten kist 'met meesing beslag' komt op het dressoir te staan: een benarde chapelle ardente in een 'aanleunwoning'. Eraan vooraf gaat een bezoek van de begrafenisondernemer (Hans Kesting), die de mogelijkheden komt doorpraten met de door zijn verschijning zeer geïmponeerde zoon Harrie (Adriaan Olree). Staat moe er eenmaal, dan wordt Harrie vereerd met een bezoek van zus Thea (Sigrid Koetse), eigenaresse van een 'eetcafé' in Benidorm, die zich vijftien jaar niet heeft laten zien. En na de begrafenis zijn er de tantes.

In het aldus uit enkele grote scènes bestaande stuk staat er niet alleen een lijk òp de kast, er houden zich ook de nodige in schuil. “Zoals in iedere familie”, probeert éen van de tantes te sussen, maar de kou neemt ze daarmee niet uit de lucht. Daar zorgt haar schepper wel voor. Edelenbos levert met Rouwkost een voortreffelijk stuk af, dat met zijn huiskamer-ellende sterk aan de stukken van Joe Orton doet denken, met name aan Loot. Een belangrijk verschil is, dat het beter is, hilarischer, met juwelen van kleinburgerlijke observaties, en met trefzekere relativeringen van thema's als de dood, incest en seksualiteit.

Behalve aan de, naar het schijnt, direct uit de mond van realistische tantes en homoseksuele bloemisten opgetekende spreektaal, is de kwaliteit van Rouwkost te danken aan de uitvoering. Edelenbos voerde de regie en speelt ook een rol, een travestierol, nog zo'n favoriete bezigheid. Hij, Fred Goessens en Hans Kesting (die een dubbelrol heeft) spelen de zussen van de overledene op de rand van het groteske, maar levensecht, zonder campy uitzinnigheid en met gevoel voor de eigenwaarde van hun personages, hoe klein die ook is.

Zij en ook Olree als de provinciale, enigszins vereenzaamde nicht die er ondanks alles wat van probeert te maken, zijn even geestig als ontroerend. In het piepkleine, mooi-wansmakelijke decortje van Paul Gallis detoneert alleen Sigrid Koetse als de gevulgariseerde caféhoudster. Haar mimiek, gebaren, intonatie en uitspraak zijn allemaal te veel van het goede. Als ze die meer in overeenstemming zou brengen met het milieu dat Edelenbos schildert - zo klein mogelijk - zou Rouwkost een volmaakte komedie zijn.