'In Oost-Europa is gigantisch armoedeprobleem ontstaan'

Armoede, zegt Eveline Herfkens, moet je zien en ruiken. Ze ergert zich aan mensen die armoede uitsluitend in de 'derde wereld' situeren. Ook in de ex-communistische landen van Europa heerst op grote schaal armoede. “Ik heb tegen ontwikkelingswerkers gezegd dat ze zich schuldig maken aan omgekeerd racisme”, zegt het Nederlandse lid van het dagelijks bestuur van de Wereldbank. “Mensen moeten kennelijk zwart zijn voordat ze ontwikkelingshulp nodig hebben. Dat is echt onzin.”

Op 1 november 1990 verruilde Eveline Herfkens (43) haar zetel in de Tweede Kamer die ze negen jaar als afgevaardigde van de PvdA bezet had, voor een bestuursfunctie bij de Wereldbank in Washington. Ze is een van de 23 leden van de board, het dagelijkse bestuur. Doordat haar benoeming samenviel met de omwentelingen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie bestaat haar werk vooral uit betrokkenheid bij het overgangsproces van de commando- naar een markteconomie in de ex-communistische landen.

Herfkens vertegenwoordigt bij de Wereldbank een 'kiesgroep' van landen. Deze kiesgroep bestond aanvankelijk uit Nederland, Joegoslavië, Roemenië, Bulgarije, Cyprus en Israel. Na de opsplitsing van de Sovjet-Unie voegden zich daarbij de Oekraïne, Moldavië, Georgië en Armenië; uit de boedel van ex-Joegoslavië kwamen Kroatië, Macedonië en (hoewel officieel nog geen lid) Bosnië bij de Nederlandse kiesgroep.

U vertegenwoordigt een bont gezelschap van landen. Hoe werkt het kantoor van uw kiesgroep?

“Toen ik hier vijf jaar geleden kwam, was ik geschokt. Iedereen werkte langs elkaar heen. Op de eerste dag heb ik een ijskast gekocht en ingesteld dat we op vrijdagmiddag een borrel met elkaar drinken. Want we moesten het kantoor tot één groep smeden. Nu is het een geoliede machine. Maar we hebben een heel gecompliceerde kiesgroep. Ik heb een staf van tien mensen en die staf is per definitie multicultureel. De mensen die je uit die landen krijgt, hebben niet de scholing en ervaring die nodig zijn. Een doctorsgraad in economics van de universiteit in Moskou is niet echt bruikbaar in mijn kantoor.

“Het is ingewikkeld om zo'n kantoor te leiden. Alle functies zijn gebonden aan de nationaliteit van iemand. Mijn Macedonische medewerker is de voormalige vice-minister van financiën, maar hij kan hier nooit meer dan assistent zijn, want hij is Macedoniër. Ik heb ook geen invloed op de carrière van die mensen na afloop, ze keren allemaal naar hun land terug. De enige prikkel die ze hebben is om voor hun land zoveel mogelijk geld uit de Bank te halen tegen zo min mogelijk voorwaarden.”

Waar houdt Uw kantoor zich inhoudelijk mee bezig?

“De landen van de ex-Sovjet-Unie en ex-Joegoslavië hebben de combinatie van de problemen van jonge, onafhankelijke landen - geen begin van een centrale bank of ministerie van financiën, geen begin van nationale instituties - plus de problemen van de transitie van een socialistische naar een markteconomie. De combinatie van die twee problemen is ingewikkeld. Het maakt trouwens niet uit of een land groot of klein is, de hoeveelheid werk die je voor een ontvangend land moet verrichten, is exact hetzelfde.

“Bovendien moest ik de eerste jaren veel tijd investeren om uit te leggen wat de Wereldbank precies doet. Hier op mijn kantoor hebben we trainingen in bankprocedures gegeven voor mensen uit de nieuwe landen, met financiële hulp van Nederland voor de vliegtickets en het hotel. De Wereldbank heeft zijn eigen taaltje, Banquese. In het eerste gesprek met de Oekraiëners bijvoorbeeld praatte de staf over de Club van Parijs, de Club van Londen, consultatieve groepen, noem maar op. Dan heb je aanpassingsleningen, rehabilitatieleningen, een projectenpijplijn. Die term werd niet begrepen. Pipeline heeft in de Kaukasus met olie te maken.”

Wat deed de Wereldbank zelf?

“Binnen een paar jaar kreeg de Bank eerst vijf en vervolgens twintig nieuwe leden. De internationale gemeenschap heeft de Wereldbank aanvankelijk het gevoel gegeven dat het alleen maar belangrijk was om het goed te doen in Polen en in Rusland. Ik vertegenwoordig de landen die het minst politiek sexy zijn. Die landjes van mij hangen onderaan de lijst. Gegeven hoe traag de rest van de wereld gereageerd heeft op de nieuwe situatie, vind ik toch dat de Wereldbank een fantastische klus geklaard heeft. Een bureaucratie van 500 mensen heeft uit het niets een hele nieuwe regio omhoog moeten trekken.”

Critici noemen de Wereldbank een enorme bureaucratie.

“Voor een instituut met zoveel duizenden mensen valt de bureaucratie mee. Ik vind de Wereldbank wat bureaucratie betreft zeker niet erger dan het Nederlandse ambtenarenapparaat voor ontwikkelingssamenwerking, terwijl dat veel kleiner is. In beginsel worden brieven hier binnen een week beantwoord. Als je een fax naar Nederland stuurt, moet je drie weken later vragen of die ontvangen is.

“Je moet wel door ongelooflijk veel molens heen om een cent uit de Wereldbank te krijgen. We hebben waanzinnig ingewikkelde procedures, maar die hebben allemaal een goede reden. Milieucomponenten, impact op vrouwen, minimaliseren van corruptie, noem maar op. Bovendien is geld van de Wereldbank hard, de ontvangende landen moeten de leningen terugbetalen en dus moet je ervoor zorgen dat projecten ook geld opbrengen.”

vraag

Toch is er kritiek op de ondoorzichtigheid van de Wereldbank.

“De rijke landen, opgejut door niet-gouvernementele organisaties (NGO's), eisen op het onredelijke af dat de Wereldbank al zijn documenten openbaart. Je kunt niet verwachten dat een ontwikkelingsland of een land in transitie openbaar maakt dat ze niet alleen hun begroting dit jaar met tien procent verlagen, maar ook nog eens een keer met twintig procent volgend jaar. Dat is politieke zelfmoord voor een regering. Het standpunt van Nederlandse en Amerikaanse NGO's weerspiegelt niet eens de stand van openbaarheid in eigen land. Het is een typisch voorbeeld van donorgedrag: ontwikkelingslanden moeten nog verder gaan dan je in je eigen land voor elkaar krijgt.”

Wat is Uw betrokkenheid bij de 'transitielanden'?

“Ik kwam hier pal nadat de Berlijnse muur was gevallen, maar het ging mij aanvankelijk om de ontwikkelingsagenda in Azië, Afrika, Latijns Amerika. Dat gevoel is binnen een paar maanden volstrekt omgeslagen. In het begin voornamelijk vanwege de intellectuele fascinatie. Het was een economisch vraagstuk waar niemand een antwoord op had, ook de bankstaf niet. Vervolgens hoef je maar naar die landen toe te gaan en je ziet dat er ontstellende armoede heerst. Roemenië is echt een arm land. Voor mij gaat het om arme mensen, dan maakt het niet uit of ze in Afrika, Sao Paulo of in Roemenië worden. Dat is nog veel sterker geworden met Armenië, waar de afgelopen winters één op de vijf babies onmiddelijk na de geboorte dood vroor.

Ik heb me toen ontstellend geërgerd aan de houding van het ontwikkelingswereldje, dat mij ervan beschuldigde alsof ik ontrouw zou zijn. De kindersterfte giert omhoog in al die landen, binnen een of twee jaar is er een gigantisch armoedeprobleem ontstaan. Je moet de armoedestudies van de Bank over die landen eens lezen. Ik ben verbijsterd over de totale desinteresse en het wanbegrip in West-Europa over wat er in Oost-Europa gaande is.''

Zijn Uw opvattingen door het werk in de Wereldbank veranderd?

“Een Indiase econoom heeft eens vastgesteld dat al die aardige blonde ontwikkelingswerkers uit Noordwest-Europa lijden aan het Tinbergen-syndroom. Ze denken dat alle regeringen in ontwikkelingslanden het fatsoen hebben van het kabinet-Drees in Nederland. Daar leed ik diep aan. Als je vervolgens beseft dat die regeringen niet deugen, dat ze corrupt zijn en absoluut niet de belangen van de armen vertegenwoordigen, dan heeft dat consequenties voor je opvatting over de rol van de overheid in de economie. De Wereldbank voert nu een campagne tegen publiek ondernemen. In Tanzania wordt meer uitgegeven om verlieslijdende staatsondernemingen op de been te houden dan voor gezondheidszorg. Met het geld dat het de Mexicaanse regering kost om twee nationale luchtvaartmaatschappijen te laten vliegen, hadden ze per jaar iedereen in de armste regio's gratis schoon drinkwater kunnen geven.

“Een tweede verandering in opvatting betreft het punt van handelsliberalisatie. Voordat ik hier kwam, was ik van mening dat je schaarse deviezen moet toewijzen aan wat uit ontwikkelingsbehoefte het meest nodig is. In de praktijk zie ik dat het in ontwikkelingslanden leidt tot de grootste corruptie als je overheidsambtenaren laat bepalen wie importvergunningen krijgt.

“Nog een punt waarop ik van mening ben veranderd. Je hebt allerlei voorkeursregels voor ontwikkelingslanden ter bescherming van hun binnenlandse markt. Dat heeft rampzalige effecten gehad, omdat het die landen heeft beschut voor internationale competitie, waardoor je niet verbaasd moet zijn dat ze nu niet in staat zijn om de boot bij te houden.

“Voor de rest ben ik niet erg veranderd en kan ik zeggen dat de Wereldbank is veranderd.”

Hoe invloedrijk is de Wereldbank?

“Onze invloed is afhankelijk van de hoeveel geld die we binnenbrengen. Slechts in enkele gevallen adoreren landen ons zó, dat ze ons advies volgen zonder dat we een hap geld geven. We hebben een aantal van de kleine 'modelhervormertjes' in de transitielanden. De Albanese president heeft tegen ons gezegd: 'We zijn nu vijftig jaar het slachtofffer geweest van economische experimenten, vertel me gewoon wat goed was voor anderen, dat is goed genoeg voor ons.' Die doet dus letterlijk alles wat de Wereldbank tegen hem zegt, met groot enthousiasme. En de groeicijfers voor Albanië zijn gigantisch. Voor Armenië geldt hetzelfde. Dat is het eerste land in de ex- Sovjet-Unie waar de groei weer aantrekt en het heeft ook letterlijk gedaan wat we zeiden. Dan kun je er toch niet omheen dat er iets goed aan is.”

U bedoelt, de aanpassingsprogramma's zijn goed?

“Als je kijkt naar de lijst: de landen die zich braaf gehouden hebben aan het recept, daar gaat het vooruit. Dus het advies van de Wereldbank en het IMF voor de landen in transitie was zo gek niet.”

Oordeelt U dus anders over aanpassingsprogramma's dan vroeger?

“Je moet onderscheid maken tussen wat we in transitielanden doen en de structurele aanpassingsprogramma's. Er is een rapport uitgekomen van de evaluatie-afdeling van de Wereldbank, over de sociale gevolgen van aanpassingen, waaruit blijkt dat de critici uit de jaren tachtig (onder wie Kamerlid Herfkens - red.) gelijk hadden. Het rapport geeft toe dat te weinig rekening wordt gehouden met de gevolgen van die programma's voor de armen. De sociale uitgaven per hoofd van de bevolking zijn gedaald, de traditionele ontwikkelingsagenda is verwaarloosd.

“Het is de vraag in hoeverre de Wereldbank hiervoor verantwoordelijk is. Er moest een balans worden aangebracht in de inkomsten en uitgaven van de overheden. Maar die landen hebben relatief veel minder gesneden in militaire uitgaven en 'witte olifanten' (megalomane ontwikkelingsprojecten - red.) dan in sociale uitgaven, zoals basisgezondheidszorg en basisonderwijs. Deels is dat een kwestie van gevestigde belangen. De Afrikaanse studenten hebben bijvoorbeeld een donders goed leventje. Terwijl het basisonderwijs in elkaar klapte, kregen zij royale beurzen, gratis maaltijden in de mensa, noem maar op. Dat is schandelijk, maar dat zijn de prioriteiten van de regeringen zelf. Je kunt de Wereldbank wèl aanrekenen dat we dit aanvankelijk onvoldoende hebben geprobeerd tegen te gaan.”

Wat vindt U van de nieuwe president van de Bank, James Wolfensohn?

“Op zijn eerste persconferentie had Wolfensohn het over sociale gerechtigheid. Daar schrikken mensen van, maar ik vind dat prachtig. We moeten een beetje een droom hebben. Dat spreekt de bankstaf aan. Er is hier een cultuur van cynisme ontstaan, waarin je niet meer liet merken dat je ook nog een hoop idealisme had. De afgelopen jaren hoorde je niet meer zeggen dat je gepassioneerd was of dat het je raakte als je arme mensen ziet.”

U wilt dat dat idealisme terugkomt?

“Ja. Zodra je de Wereldbankstaf leert kennen, merk je dat ze ergens in geloven. Ze werken zich de pleuris in dit instituut. Als ze op missies zijn, werken ze tot vier uur 's nachts door aan hun rapporten. Vaak ga ik op zondag naar kantoor en je moet dan van die lijsten invullen bij de beveiliging. Als ik om acht uur 's morgens kom, zijn er al twee of drie kantjes lijsten ingevuld. Ik weet niet hoe een computer werkt, maar iemand in mijn kantoor kan zien hoeveel mensen om twaalf uur 's nachts nog ingelogd zijn. Honderden mensen zitten dan nog achter hun bureau. Waarom doen ze dat? Omdat ze geloven dat ze iets bijdragen aan de landen waarmee ze samenwerken.”

Dat is het geloof in de maakbare samenleving.

“De missie van de Bank is in de meeste landen om uit te leggen dat regeringen moeten ophouden samenlevingen te sturen. Er is een limiet aan de maakbaarheid van de samenleving, maar de maakbaarheid van Albanië... Het moet een genot zijn voor de mensen die op Albanië werken. Dat is toch een feest!”