Herstel gezag van OM cruciaal voor Sorgdrager

DEN HAAG, 8 NOV. Niemand in Den Haag gelooft nog dat de parlementaire enquête naar de opsporingsmethoden alleen inhoudelijk is en slechts zal uitmonden in strengere regels voor misdaadbestrijders. Deze week verschijnen de politiek verantwoordelijken in de zaal van de Eerste Kamer, en inmiddels weet iedereen dat deze enquête potentieel een koppensneller is.

Morgen moet D66-minister Sorgdrager (justitie) langskomen, die vorige week ternauwernood kon worden weerhouden van aftreden. Dat gebeurde nadat de Kamer haar afkeuring had uitgesproken over de riante afscheidspremie die Sorgdrager had meegegeven aan de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck. Dat was het eerste ontslag in het verlengde van het werk van de enquêtecommissie.

De enquête is niet alleen een inhaaloperatie om het wetboek van strafvordering in overeenstemming te brengen met de inmiddels gegroeide praktijken bij de opsporing en vervolging van zware georganiseerde criminaliteit. Het parlementair onderzoek legt ook de gezagscrisis bloot tussen openbaar ministerie en opsporingsapparaat.

Omdat de Kamercommissie en passant bekijkt wie verantwoordelijk was voor gegroeide misstanden, komen politieke reputaties in het geding. Hoe gevaarlijk politici het vinden om in de buurt van de commissie-Van Traa te komen, wordt geïllustreerd door het vluchtgedrag vorige week van VVD-minister Dijkstal (binnenlandse zaken). De Kamer had Sorgdrager om opheldering gevraagd over de wat fors uitgevallen schadeloosstelling van Van Randwijck. De brief die vervolgens namens de afwezige minister van justitie naar de Kamer ging, was “conform telefonische opdracht” ondertekend door justitie-topambtenaar Suyver. Dat was nogal ongebruikelijk want de minister van justitie wordt normaal bij afwezigheid vervangen door de minister van binnenlandse zaken. Partijgenoten van Dijkstal meldden achteraf dat de minister zijn vingers niet wilde branden aan deze zaak. En dat is ook niet verwonderlijk gezien de voorgeschiedenis: vorig jaar sleepte minister Hirsch Ballin (justitie) zijn ambtgenoot Van Thijn (binnenlandse zaken) mee in zijn val.

Dijkstal, anderhalf jaar geleden indiener van de motie die zou leiden tot de enquête, zal de komende maanden nog genoeg te maken krijgen met de naweeën van de enquête. Hij pleitte - als Kamerlid - tijdens het IRT-debat van april 1994 al voor personele maatregelen tegen de betrokkenen. “Iedereen heeft fouten gemaakt: al die burgemeesters, al die commissarissen of hoofdcommissarissen van politie, al die officieren en hoofdofficieren van justitie. Daarover bestaat voor mij geen twijfel.” Dijkstal wil als minister nu kennelijk de handen vrijhouden om grote opruiming te houden binnen de politie.

Nuchter bekeken kan minister Sorgdrager overigens weinig worden aangewreven. Zij werd begin 1994, toen zij pas was benoemd tot procureur-generaal in het ressort Den Haag, op de hoogte gesteld van het doorlaten van “enkele honderden kilo's cocaïne” door de Haagse politie. Maar dat was al gebeurd voordat Sorgdrager in Den Haag aantrad. De toestemming voor die doorleveringen was gegeven door haar voorganger, waarnemend procureur-generaal H. Addens.

Het was de Haagse hoofdofficier van justitie J. Blok die Sorgdrager destijds inlichtte over de opsporingsmethode van de Haagse politie. Volgens Blok, die vorige week werd gehoord door de enquêtecommissie, zei Sorgdrager destijds dat “we daar nader over moeten praten en bekijken of we de georganiseerde criminaliteit op een andere, bestuurlijke manier kunnen aanpakken”. De commissie zal haar morgen naar verwachting vragen of zij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Sorgdrager werd van de doorlevering van de harddrugs op de hoogte gesteld op het moment dat de Tweede Kamer de messen sleep voor het IRT-debat, op 7 april. In die periode ontstond commotie over de aanvaardbaarheid van het doorlaten van grote partijen softdrugs door het IRT Noord-Holland/ Utrecht. Toenmalig minister van justitie Hirsch Ballin liet de Kamer destijds weten dat door het IRT “geen gram” aan harddrugs op de markt was gekomen. Maar in het ressort Den Haag was dat dus wel gebeurd. Een andere vraag van de enquêtecommissie aan Sorgdrager zal ongetwijfeld luiden of zij het onderwerp toen niet bij Hirsch Ballin ter sprake had moeten brengen.

De hoofdvraag is natuurlijk of de minister van justitie deze enquête zal overleven. Het gevaar komt voor Sorgdrager eigenlijk niet meer uit de Tweede Kamer. Vorige week immers heeft zij in het dramatische debat over de gouden handdruk voor Van Randwijck expliciet opnieuw het vertrouwen gekregen van de regeringspartijen die over een meerderheid beschikken in de Tweede Kamer.

Maar dat betekent niet dat het aanblijven van Sorgdrager ook verzekerd is. De minister van justitie zal bij het verschijnen van het rapport van de commissie Van Traa, in januari volgend jaar, voor zichzelf de balans opmaken. Als de Kamer straks het onderzoek heeft afgerond, begint voor haar het werk pas: orde op zaken stellen in het vervolgingsapparaat. Dat betekent niet alleen “regels opstellen voor de toekomst”, maar ook het gezag herstellen. Vorige week eiste Sorgdrager niet alleen het vertrouwen van de Kamer. De minister zei ook “dat er geen enkele twijfel mag bestaan aan het gezag van deze minister van justitie”. De kans is niet gering dat Sorgdrager uiteindelijk zelf tot de conclusie komt dat die twijfel niet geheel is weggenomen.