Gynaecoloog vrijuit na doden invalide baby

AMSTERDAM, 8 NOV. De gynaecoloog H. Prins is door het gerechtshof in Amsterdam ontslagen van rechtsvervolging. Prins beëindigde in maart 1993 het leven van een ernstig gehandicapte baby.

Met de uitspraak bepaalde het hof dat het opzettelijk doden van een wilsonbekwame, gehandicapte pasgeborene niet strafbaar is als de arts zorgvuldig heeft gehandeld. Procureur-generaal A. Korvinus had om ontslag van rechtsvervolging gevraagd omdat Prins aan alle zorgvuldigheidscriteria had voldaan.

Volgens de uitspraak van het gerechtshof verkeerde de arts in een noodtoestand. Hij had de plicht het leven van de baby te behouden, maar moest tegelijkertijd het lijden verlichten. In de geldende euthanasieregeling was deze noodtoestand alleen omschreven voor euthanasie en hulp bij zelfdoding, waarbij het gaat om personen die hun eigen wil kunnen uiten. Voor gevallen waarin mensen die wil niet kunnen uiten bestond nog geen principiële gerechtelijke uitspraak. Daarom had minister Sorgdrager (justitie) de opdracht gegeven deze principiële zaak voor de rechter te brengen.

De baby, een meisje, was enkele dagen oud toen Prins haar leven beëindigde, op verzoek van de ouders en na uitgebreide consultatie van een aantal specialisten. De baby was meervoudig gehandicapt. Ze was geboren met een waterhoofd, slechts gedeeltelijk ontwikkelde hersenen, een open ruggetje en misvormde benen en armen. Ze leed volgens de artsen veel en had niet lang te leven.

Volgens het Amsterdamse hof staat vast dat het leven van het meisje zou worden beheerst door een ernstig lijden, zonder dat er uitzicht op verbetering was. Dit lijden zou niet op een medisch zinvolle manier zijn te verlichten. Het hof oordeelde daarom dat de beslissing het meisje niet te opereren naar medisch wetenschappelijk inzicht gerechtvaardigd was. Het hof vond verder dat Prins zorgvuldig en medisch verantwoord heeft gehandeld, geheel in overeenstemming met de geldende medische normen.

In Groningen speelt op dit moment een vergelijkbare zaak, die ook op aanwijzing van minister Sorgdrager voor de rechtbank is gebracht. Daar vroeg officier van justitie Drenth de rechtbank vorige week om ontslag van rechtsvervolging en niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie omdat hij vindt dat dergelijke zaken niet voor de rechter moeten worden uitgevochten. De leiding van het openbaar ministerie, het college van procureurs-generaal, riep Drenth hiervoor vorige week op het matje. De rechtbank in Groningen doet volgende week een uitspraak in deze zaak.