De bekering van Pronk

TANZANIA ONTVANGT dit jaar vijftig miljoen gulden ontwikkelingshulp van Nederland. Dat komt goed uit, want het is verkiezingstijd in Tanzania en dan kunnen wat deviezen altijd helpen. Maar is het verstandig vanuit ontwikkelingsperspectief? Andere donorlanden en de Wereldbank klagen over corruptie en falend lokaal beleid en beperken hun hulp aan Tanzania. Maar Nederland is nog altijd bereid wat geld toe te stoppen aan Tanzania, eertijds de 'donor's darling' en tegenwoordig het voorbeeld bij uitstek van falend ontwikkelingsbeleid.

Ontwikkelingssamenwerking staat overal ter discussie. Bij de herijking van het buitenlandse beleid heeft minister Pronk het Nederlandse hulpbeleid radicaal van richting veranderd. Pronk is aan zijn zoveelste intellectuele salto bezig. Lang geleden was hij voor structurele economische machtsverschuivingen in de wereld, daarna voor kunstmatig hoog gehouden grondstoffenprijzen, voor armoedebestrijding en economische verzelfstandiging (een ander woord voor marktafscherming), daarna voor een totaalaanpak van aandacht voor de rechten van de mens, de positie van vrouwen en milieubescherming. Nog later ging het over conflictbeheersing, desnoods met militaire middelen.

Nu heeft Pronk de omslag gemaakt van projecthulp naar programmahulp. Niet langer Nederlands hobbyisme in projecten, maar algemene steun aan het beleid van de ontvangende landen. Een kwart eeuw projecthulp (waarvan bijna de helft onder Pronks ministeriële verantwoordelijkheid) is in een keer als een betreurenswaardige maar kostbare vergissing van tafel geveegd.

Nu waren de evaluaties van de projecthulp vaak vernietigend, maar Pronk haalt veel overhoop. Om te beginnen bij het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking, waar de ambtenaren gedemotiveerd zijn door de zoveelste bevlieging van de minister. Bovendien, als de projecthulp inderdaad plaatsmaakt voor programmasteun, is dat een ommekeer in de ontwikkelingsfilosofie.

HET NEDERLANDSE ontwikkelingsbeleid kon traditioneel op brede steun rekenen omdat het voor de hoofdstromen van de politiek iets te bieden had. De projecten leverden orders op voor het bedrijfsleven en de consultants, ze gaven ook uitdrukking aan een gevoel van solidariteit en van medeleven met de bevolking in ontwikkelingslanden. Met programmahulp is dat anders: dan wordt een som geld overgeboekt en zal het 'doe-goedgevoel' grotendeels verdwijnen. Los van de vraag naar financiële controleerbaarheid - waarmee het ministerie enkele jaren geleden nog problemen in de Kamer had - staat dan ook het maatschappelijke draagvlak ter discussie.

Schematisch kunnen ontwikkelingslanden in drie categorieën worden ingedeeld. Landen die een goed macro-economisch beleid voeren, zijn minder geïnteresseerd in hulp dan in toegang voor hun exportprodukten tot Westerse markten en toegang tot de kapitaalmarkten. De kapitaalmarkten hebben de 'opkomende landen' inmiddels ontdekt: vorig jaar was de particuliere kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden drie keer groter dan het totaal van ontwikkelingshulp. De tweede categorie bestaat uit landen die een slecht economisch beleid voeren en dan is hulp, met uitzondering van noodhulp, weggegooid geld. Voor de derde categorie, de landen die worstelen met marktconforme hervormingen, kan hulp een steun in de rug zijn. Maar die kan het beste worden verstrekt door de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds.

EEN NATIONAAL ontwikkelingsbeleid is in dit grotere verband dus vooral een kwestie van nationale belangen en emoties. Zo bestaat bijna de helft van de Amerikaanse ontwikkelingshulp uit militaire steun aan Egypte en Israel, terwijl Groot-Brittannië en Frankrijk vooral hulp aan hun ex-koloniën verstrekken. In het geval van Nederland betekent dit keuzes maken in landen en thema's: geen ontwikkelingsrelatie met zesenvijftig landen en geen ongelimiteerd aantal aandachtsgebieden. Overigens is hèt nationale hulpprogramma bij uitstek, de miljardensteun aan Suriname, uitgelopen op een magistraal fiasco. Een drastische beperking van de ministeriële pretenties is dringend gewenst. Het kan geen kwaad om te beseffen dat de Nederlandse hulp, ondanks de vele miljarden die hiervoor met het automatisme van de stijgende nationale welvaart worden bestemd, slechts bij hoge uitzondering een wereld van verschil uitmaakt en in de meeste gevallen van marginale betekenis is.