De begrafeniswet biedt mogelijkheden voor eigen ideeën; Een vorm van zingeving

“Uitvaartverzorger, begrafenisondernemer, doodgraver: het maakt me niet uit hoe je mijn beroep noemt. Belangrijker is de inhoud die je het geeft.” David Elders (32) begon een eigen uitvaartonderneming, nadat hij zijn studie filosofie aan de universiteit had afgerond. Een opleiding die hem wel degelijk op het spoor heeft gezet van zijn huidige beroep. “Tijdens mijn studie heb ik me op niet-Westerse wijsbegeerte gericht en daarin speelt de dood een belangrijke rol. Los daarvan was ik als kind al geïnteresseerd in de dood en de daarbij behorende rituelen.” Elders' belangstelling werd aangewakkerd door een aantal verre reizen, waarbij hij getuige was van de nodige uitvaartceremonies. “Vooral de Dogon-stam, in Mali, heeft veel indruk op me gemaakt. De Dogon zetten hun doden bij in de spleten van een enorme rotswand. Dat is nogal een onderneming, want die wand is meters hoog en loopt loodrecht naar beneden. Of de Parsi's uit India; die geven hun doden als voer voor de vogels. In Bombay is voor dat doel een hoge toren gebouwd. Aan de bovenkant ligt dan een enorm metalen rooster waarop de overledene wordt neergelegd. Zodra het lichaam is kaalgevreten, vallen de botten door het rooster naar beneden. Als je dat vergelijkt met Nederland, dan gaan ze hier toch een stuk minder creatief met de dood om.”

Elders' laatste reis door India, zo'n vier jaar geleden, betekende de definitieve aanzet tot het begrafenisondernemerschap. “Dat was in Aurangabad, toen ik daar op straat achter een Hindoe-begrafenisstoet aanliep. Ik hield wat afstand uit piëteit, maar werd op een gegeven moment uitgenodigd om deel te nemen. Het eindigde bij zo'n openbare verbrandingsplaats: een betonnen plaat met een dakje van golfplaat erboven. De overledene, een oudere vrouw, werd tussen twee stapels hout gelegd en aangestoken. De sfeer was daarbij gemoedelijk, ontspannen. Op een gegeven moment viel er ook vanuit die brandstapel een arm op de grond, maar daar werd absoluut geen ophef over gemaakt. Een klein kindje raapte die arm op en gooide hem terug het vuur in.”

Het contrast met de Nederlandse benaderingswijze was enorm. “Hier wordt alles wat met de dood te maken heeft uit het zicht gehouden. Bejaardentehuizen en begraafplaatsen liggen bijna altijd aan de rand van de stad. Ook rituelen rondom de dood stellen nauwelijks meer iets voor. Je ziet haast nooit meer mensen zwarte kleding dragen of de ramen blinderen. Dat zie je terug in de manier waarop de gemiddelde uitvaart in Nederland verloopt: zakelijk en met weinig persoonlijke inbreng.” Het karakter van het Nederlandse begrafeniswezen weerspiegelt zich in het Wetboek, volgens welk het openbaar verbranden of laten kaalvreten van overledenen strafbare feiten zijn. Alleen erkende begraafplaatsen of crematoria voldoen als laatste rustplaats. Ook geldt een maximale tijdsduur van vijf dagen tussen het tijdstip van overlijden en de teraardebestelling en is balsemen verboden, waarbij een uitzondering gemaakt wordt voor leden van het koninklijk huis. Om zijn cliënten van dienst te zijn beweegt Elders zich in de overgebleven speelruimte: de keuze van de muziek, de regie over het dragen van de kist en, afhankelijk van plaatselijke politieverordeningen, het vervoer naar de laatste rustplaats. Elders: “Steeds vaker komen mensen zelf met ideeën over de vorm van hun uitvaart. In plaats van met lijkwagens kan het bijvoorbeeld ook lopend, of met een koets of met een klein bootje over de Amstel. Of grafkisten, daar is ook van alles mee mogelijk.” Zijn woorden onderstrepend haalt Elders een fotoboek tevoorschijn, waarin zijn aanbod staat afgebeeld: massief eikenhouten kisten, open kisten, Belgische kisten (iets afwijkend van vorm, met een grotere knik), Amerikaanse kisten (glamorous, met veel glanzend koperwerk) en kleurrijke, beschilderde kisten.

Voor zaken als het (laten) beschilderen van grafkisten hebben de meeste concurrenten geen oog. “Vooral de grotere ondernemingen vallen het liefst terug op doorsnee-uitvaarten. Zoiets doet afbreuk aan het belang van een laatste afscheid. Aan een uitvaart móet een bepaalde zingeving worden verbonden. Het is een gevoelige kwestie, waarbij minieme details al snel een bijzondere betekenis krijgen.”

De voortdurende confrontatie met de dood betekent voor Elders niet dat zijn vak naargeestig is. “Ik ben bijvoorbeeld niet meer na gaan denken over mijn eigen sterfelijkheid. En hoewel het verdriet van de nabestaanden me soms neerslachtig maakt, krijg ik na afloop regelmatig complimenten voor mijn inspanningen. Als het gevoel overheerst dat het laatste afscheid in stijl is genomen, is dit echt heel dankbaar werk.”