Dat heb ik ook meegemaakt

Ik lees wel eens voor, uit eigen werk zogezegd. Bij gelegenheid daarvan krijg ik regelmatig een heel speciaal soort van mededelingen te horen. Ze zijn zowel volstrekt feitelijk, die mededelingen, als enigszins vertrouwelijk, althans zeer particulier.

Ze zijn van het type: In die straat of in die buurt heb ik ook gewoond. Of: Bij die en die onderwijzer heb ik ook in de klas gezeten. Of: Dat en dat heb ik ook meegemaakt. Ik geef ze voor het gemak in een formule-achtige vorm weer. De werkelijkheid is uiteraard gevarieerder, om niet te zeggen onuitputtelijker.

Uit mijn jeugd herinner ik me hoe oneindig oninteressant ik het vond, om mensen tegen elkaar te horen zeggen: Komt u daar en daar vandaan?! Nee maar! Dan zult u vast en zeker die en die kennen! Dit soort van in mijn ogen van toen hoogst provinciale en van iedere denkkracht verstoken conversatie - het duurde nooit lang of er waren gemeenschappelijke kennissen opgedolven - kwam mij voor als het niet te evenaren algemene dieptepunt van elke mogelijke menselijke omgang.

Oef, dat gezeur, die nietszeggende eigennamen, die dorpsnamen, dat gelul over deze of gene stad of provincie... Algemene concepten! Brede gezichtspunten! Wereldbeschouwingen! Peilloze vraagstukken! De menselijke conditie zelf - daarmee hoorde een conversatie zich bezig te houden! Niemand is eenzamer, ik weet 't, dan de verbeten zwijgende puber te midden van zijn kwekkende familie.

Maar nu. Wat is er met mij gebeurd, dat ik zulk zoeken en vinden van gemeenschappelijke noemers - van vroeger, steevast van vroeger - enigermate ben gaan waarderen? Ik druk mij met opzet schuchter uit.

Wezenlijk voor het hier beschreven type contact lijkt me dat 't in het voorbijgaan plaatsvindt, en dat het juist daardoor van zo'n hoofdletterachtige hevigheid is, en van zo'n duizelingwekkende omvattendheid. In alle beknoptheid immers geeft men zichzelf te kennen als een vroegere plaats- en daarmee ook als een nauwkeurige tijdgenoot van toen.

Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat het begrip plaatsgenoot zijn stevigste tijd achter zich heeft; dat het zelfs afkoerst, zoetjesaan, op totale betekenisloosheid. Plaatsgenoot, buurtgenoot - misschien zijn het al vergeetwoorden, afkomstig uit een oertijd van lang voor de algehele mobiliteit.

Ik denk dat dit de ware lading geeft aan de wonderlijke confidenties voornoemd, aan zo'n geheimzinnige mededeling, of liever zo'n constatering, van een niet te loochenen gemeenschappelijkheid van buurt en periode. Men staat plotseling oog in oog met een partner in een gedeeld verleden. Men reünieert. Hoe kort een dergelijke ontmoeting ook duurt - het gaat om nauwelijks meer dan een verlengde handdruk -, de blik die men vervolgens woordloos wisselt is van een zodanige bijna krankzinnig makende veelbetekendheid, dat 't voor beide partijen ook maar het beste is dat de ontmoeting in zichzelf besloten blijft.

Meer dan vroeger ben ik doordrongen van het besef dat de muziek van de herinnering steeds vaker begint te klinken, op verzoek zowel als zonder, en dat dwars door de dunne façade van allerlei heden heen steeds meer geschiedenis begint te schemeren.

Dus deze dame heeft een klas lager gezeten?! En schuin aan de overkant gewoond?! Wij blikken elkaar diep in de ogen en drukken elkaar stevig de hand. Goh... Nee maar... Het is toch wat... Want dat zijn zo'n beetje de reactiemogelijkheden, in al hun onbeholpenheid. Maar meer is ook niet mogelijk, tegenover zulke enorme brokstukken uit het verleden.