Tegen de vervlakking van de genietingen

DRIEHUIS-WESTERVELD. Het gebeurt hier vaak. De halve trein stapt uit en als de passagiers in een lang lint door de stille lanen lopen is er al meteen sprake van een homogene stoet. Misschien is het wel sinds jaar en dag het favoriete gezelschapsspel van de bewoners van Driehuis-Westerveld. Ze weten dat elke stoet zijn eigen taal spreekt, en dat elke deelnemer ongewild een stipje is in een goed gelijkend portret. De Driehuis-Westervelders vragen zich af: “Is het een man of een vrouw? Wat voor werk deed hij of zij?”

Het was gisteren een mooie stoet. Er waren jonge mensen bij, maar vooral veel heren met grijze manen, en veel dames van onbestemde leeftijd. Je zag ambtenaren, televisiemensen, toneelspelers, muzikanten, en politici. De mensen die je niet meteen herkende behoorden duidelijk tot het verlichte deel van de burgerij.

Het was naar de crematie van Jan Kassies dat deze mensen op weg waren. Jan Kassies was in mei vijfenzeventig geworden, en de laatste maanden ging het niet meer goed met hem. Zijn grote lichaam was traag en onwillig geworden, en toen hij zich opeens niet meer kon bewegen was de ziekte die hem uiteindelijk zou vellen al ver gevorderd.

De stemming in de stoet, en even later in de aula was bedrukt, zoals dat hoort, maar de mensen waren niet verslagen. Vijfenzeventig is een mooie leeftijd en het was een leven waarin nogal wat gedaan was. Kassies stond aan de wieg van vele instellingen op het gebied van de kunst. De Raad voor de Kunst, de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, de Boekmanstichting, het Instituut voor Theateronderzoek. Hij was voorzitter of toonaangevend lid van talrijke belangrijke colleges: het Bedrijfsfonds voor de Pers, het Stimuleringsfonds Culturele Omroepprodukties, de Eerste Kamer. Hij speelde in de jaren zestig een rol van cruciale betekenis in de Stichting Wonen, de VPRO en de Amsterdamse Toneelschool.

Kassies mocht zo nu en dan graag deze zelfgemaakte slagzin reciteren: “Er vestigt zich de zekerheid dat men deze wereld zal verlaten zonder orde op zaken te hebben gesteld.” Naar de toon een karakteristiek geval van Kassiaanse nederigheid - dit ingewikkelde mengsel van zelfspot en zelfbewustheid - maar naar zijn inhoud vooral een voor de hand liggende constatering. Wie zoveel overhoop haalt, kan moeilijk verwachten dat de zaken ooit op orde zullen zijn.

“De onvermijdelijke Jan Kassies”, zo werd er wel over hem gesproken. In die omschrijving zat iets spottends, iets van vermoeide berusting, maar het was in essentie een juiste kwalificering. Kassies was een pionier in het soort carrières dat het culturele leven van na de oorlog vereiste. De staat begaf zich steeds meer op het terrein van kunst en cultuur, maar tegelijk wist niemand hoe je in dat precaire gebied moest manoeuvreren. De klassieke Nederlandse oplossing - de zaak overlaten aan organisaties die tussen overheid en samenleving opereerden - was nauwelijks beschikbaar, want veel organisaties waren er niet. Kassies trok de voor de hand liggende conclusie: dan moesten ze worden opgericht. Vervolgens bleek hij ook steeds de aangewezen figuur om daar leiding aan te geven. Zijn gereformeerde afkomst, zijn zorgvuldige dictie en zijn administratieve capaciteiten wekten vertrouwen bij de overheidsdienaren. Voor kunstenaars telde zijn rol in het kunstenaarsverzet en zijn sociaal-democratische gezindheid. Kassies kon zich ontwikkelen tot een verbindingsman, en de manier waarop hij opereerde werd een model voor menig kunstbestuurder. De biografie van Jan Kassies moet maar gauw geschreven worden, want die kan een fraai inzicht verschaffen in de recente geschiedenis van onze cultuur.

De ironie van het lot wilde dat op de dag dat Kassies stierf, ook een van de colleges waarvan hij een belangrijk inspirator was de geest gaf: de Raad voor de Kunst. In de oorlogsjaren hadden in de illegaliteit opererende kunstenaars plannen gesmeed voor een orgaan waarin aan kunstenaars grote bevoegdheden moesten worden toegekend. Met een eigen budget en een eigen staf zou die Raad het kunstleven moeten gaan besturen - een soort kunstenaarsparlement. Zover is het niet gekomen. De Raad voor de Kunst die in 1947 werd opgericht, had louter adviserende bevoegdheden. Kassies was er van 1958 tot 1966 de algemeen scretaris van, maar ook hij slaagde er niet in de bevoegdheden van de Raad uit te breiden. En zo is het nog steeds, althans tot vorige week. Toen gaf de Eerste Kamer - zonder Jan Kassies - haar fiat aan het plan om de Raad voor de Kunst op te laten gaan in de nieuwe Raad voor Cultuur. Dat wordt een adviesorgaan voor media, bibliotheken, informatie, musea en kunst. Als je er een woord voor moet verzinnen, dan zeg je: rationalisering. Adviesorganen zijn er al genoeg, en het samenvoegen van een paar van die instellingen geeft een hoop synergie. Er zit natuurlijk meer achter.

Kassies is lange tijd een van de belangrijkste verkondigers van de spreidingsgedachte geweest: het idee dat de overheidsuitgaven voor kunst alleen maar gerechtvaardigd kunnen worden als je er tegelijkertijd naar streeft de kunst voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk te maken. Door met toneel- en muziekuitvoeringen het land af te reizen, door de kaartjes voor de schouwburg, het museum en de concertzaal goedkoop te houden. Kortom, door er naar te streven dat de burgers van Nederland op allerlei manieren met kunst in aanraking konden komen. Om een tegenwicht te vormen, schreef Kassies in 1951, “tegen de verschraling van het dagelijks leven, tegen de vervlakking van de genietingen van honderdduizenden!” Maar tweeëndertig jaar later constateerde hij in een WRR-publikatie: “Het beleid der cultuurspreiding is goeddeels mislukt”. Er waren niet meer kunstminnaars gekomen, en bovendien was het publiek niet van samenstelling veranderd, zo stelde hij vast.

Sindsdien heeft de opvatting dat kunst net zo goed via de markt kan worden gespreid aan belang gewonnen. En zo is de vorming van een adviesorgaan dat behalve kunst ook media, bibliotheken en informatie in zijn portefeuille heeft, de erkenning van het feit dat kunst geen recht meer heeft op zo'n aparte status. Het publiek is ongeveer hetzelfde gebleven: verlichte burgers. Ongeveer het soort mensen dat gisteren door Driehuis-Westerveld wandelde.