Regering in Sarajevo wil hulpverlening liefst geheel zelf controleren; In Bosnië heeft de hoop een stimulans nodig

SARAJEVO, 7 NOV. Daar komt hij. De tram. Eindelijk! Bij de halte heerst de vreemde uitgelatenheid die ouders kunnen hebben als ze na jaren met hun kinderen weer eens in de botsautootjes mogen. De ogen van de vrouw stralen terwijl ze instapt en behendig haar tassen uit de verdrukking redt. Na zoveel maanden lopen. Elke dag rennen van tank tot tank. Nu zomaar glijden over de rails naar haar werk. Natuurlijk is ze blij dat de tram weer rijdt. Maar hoeveel keer eerder is ze niet blij geweest, en begonnen de Serviërs toch weer op de tram te schieten. Wanneer de tram de brede weg oprijdt met aan het begin het bordje 'Sluipschuttersboulevard' klemt ze beide handen rond de stang, haar knokkels wit van de spanning.

'The whole world around for Sarajevo', luidt de boodschap die in vrolijke blauwe en gele letters op de buitenkant is geschilderd: de oproep van de Bosnische regering aan de sponsors van de wereld om de failliete overheid een handje te helpen. Na bijna vier jaar oorlog zijn alle bronnen uitgeput. Mensen in overheidsdienst werken voor twintig, soms één Duitse mark per maand. Tienduizend soldaten verdienen hun soldij in natura: acht pakjes sigaretten per week. Wie niet rookt heeft geluk. Maar hóé failliet is de Bosnische staat nu precies?

“Daarvoor hebben we minstens een uur de tijd nodig”, had de vice-gouverneur van de centrale Bank van Bosnië-Herzegovina die ochtend in zijn kantoor gezegd. Zo eenvoudig is een antwoord niet op de vraag hoe groot het overheidstekort van Bosnië is. Beba (47), de onderwijzeres die haar geld nu als tolk verdient, had twee dagen lang om een afspraak gebeld. Daarna was ze in haar strakke legging naar de bank gedribbeld. Ze had gebogen. De hand van de vice-gouverneur lang en diep geschud. Maar het had niet geholpen. Een zo gecompliceerde vraag kon hij zeker niet vóór het eind van volgende week beantwoorden: “U moet niet vergeten: we zijn in oorlog.”

De tram rijdt langs de gepokte gebouwen. Het groen van uniformen en de kleur van make-up. Het is of de stad uitsluitend uit soldaten, politie en mooie vrouwen bestaat. Slechts hier en daar een 'moslim op batterijen', zoals Beba ze noemt: de vrouwen met een islamitische hoofddoek. “Je zal zien, zodra de oorlog over is gaan die weer af.”

Op een van de verre markten stappen we uit. “De zwarte markt heeft ons in leven gehouden: dit is onze belangrijkste economie”, zegt Beba. Dan slaat ze haar handen voor haar mond: “Dit is magie”, wijst ze op de muur van zakken. Geen zandzakken tegen de kogels dit keer, maar zakken vol aardappels. Zeventien mark voor vijfentwintig kilo staat erbij. Waar komen die opeens vandaan? Uit Kroatië, legt de handelaar uit. Hij heeft ze met zijn vrachtwagen zelf gehaald.

“Volstrekt legaal, ja”, schampert Safir op zijn krukken. Hij wil wel iets vertellen over de magie-economie van deze stad. Sinds hij drie jaar geleden in de strijd zijn been kwijtraakte, zit hij in de zwarte handel. Een 'kleine vis' noemt hij zichzelf: wat meel, sigaretten en koffiebonen. Net genoeg om zijn ouders en zusje in leven te houden. De 'grote vissen' zie je hier niet. Maar zoveel weet hij wel van zijn bazen: zonder 'kennissen' in de regering en de politie werken ze niet. Altijd weten ze van tevoren wanneer de razzia's komen. En nu zijn het deze 'vissen' die opnieuw profiteren. Wie anders heeft het kapitaal voor de aanschaf van een muur van voedsel? En wie krijgt van de regering toestemming om de stad uit te gaan? Hoelang is hij al niet bezig om naar Duitsland te gaan voor een kunstbeen? Een buitenlandse hulporganisatie heeft hem vergoeding van kosten aangeboden. Maar het is de regering die niet wil. “Je kunt hier je leven duizend keer verliezen voordat je de juiste papieren hebt.”

Safir droomt ervan een verzekeringsmaatschappij op te richten. Zo eentje waar hij voor de oorlog werkte. Eigenlijk is hij met een paar vrienden al twee jaar bezig. Maar je begrijpt, de regering, papieren... De stad is veranderd. Meer dan de helft van de mensen is weggegaan. Hun plaatsen zijn ingenomen door vluchtelingen 'uit de bergen'. “Als ik mijn ogen dichtdoe zie ik nog steeds mijn stad. Sarajevo is niet dood, maar wel blind geworden.”

Zijn geduld lijkt onuitputtelijk. Opticiën Pijalovic pulkt het glas uit de ene bril en stopt het in de holle plek van de andere. Geen glas, geen monturen. Hij schat dat zo'n dertig procent van de bevolking kijkt door een waas. Eén keer is er wat glas door de tunnel onder het vliegveld naar binnen gesmokkeld. Maar verder is het voornamelijk 'recyclen'. “Ik wil dat al die jongens die in hun rolstoelen zitten weg te kwijnen weer het gevoel krijgen mee te tellen”, had hij vorig jaar maart zijn project toegelicht. Zeventig oorlogsinvaliden zou hij opleiden om de bevolking van brillen te voorzien. Hij had gepraat met het ziekenhuis en de regering. Alles leek in kannen en kruiken.

Nu, anderhalf jaar later, is zijn werkplaats leeg. Het geld voor de benodigde materialen is in juni door een hulporganisatie gestort, maar is nog steeds niet aangekomen. “Er is denk ik wat wantrouwen omdat we een privé-bedrijf zijn”, zegt Pijalovic. “Er zijn weinig mensen die geloven dat we op dit project geen winst maken.” Daarbij komt dat de staatsopticiëns nog steeds een monopolie hebben. “Maar zij hebben geen project.” Toch blijft hij optimistisch. “Mensen die van buiten komen begrijpen dat niet. Wij blijven altijd hopen. Het is de hoop die mensen in Sarajevo op de been houdt.”

Veel buitenlandse hulporganisaties denken echter dat de hoop iets meer stimulans kan gebruiken. Begin dit jaar beklaagden VN-officials zich er over dat een complete opticiëns- en tandartsuitrusting in het buitenland bleef staan omdat de Bosnische regering de apparatuur niet wilde toelaten. “Ze vinden het gewoon niet leuk om geen greep te hebben op de hulpstromen die binnenkomen”, zegt een medewerker van een van de internationale hulporganisaties in de stad. Tekenend voor de houding van de Bosnische regering is dan ook het onlangs uitgebrachte rapport met de titel: 'U kunt ons helpen - wij weten hoe'. Onder het hoofdstuk 'invaliden' staat niet meer dan de volgende tekst: “De belangrijkste taak voor buitenlandse donoren is het geven van financiële middelen. Op die manier brengen onze humanitaire projecten maximaal resultaat op in de hulp aan invaliden.”

Maar welke projecten? En welke hulp? “Ik begrijp dat het oorlog is, en er geen geld is om mij nieuwe benen te geven”, zegt Mirza Hodzic. Ook hij is er voor dat er “eerst veel grote geweren komen”. Toch kan hij zijn teleurstelling niet verbergen. Tijdens de laatste granaatexplosie op de markt, twee maanden geleden, raakte hij beide benen kwijt. Mirza slaat de ziekenhuislakens terug om zijn stompjes te tonen. Ze zijn bijna genezen. Normaal zou dit de tijd zijn voor een prothese. Maar welke prothese? “We hebben een grote achterstand, omdat de buitenlandse hulporganisaties tekortschieten in het beschikbaar stellen van geld voor materialen”, had de ambtenaar op het ministerie van gezondheidszorg gezegd. Al sinds veertig jaar maakt het staatsbedrijf Neretva in Sarajevo kunstarmen en -benen. Maar de oorlog heeft een vraag teweeggebracht die op geen enkele manier door Neretva kan worden beantwoord. Ongeveer tien jaar zal het duren, had de ambtenaar geschat, voordat op alle geamputeerde ledematen van Bosnië een nieuwe prothese zit.

Als grote zuurstokken steken de benen van de werkbank omhoog. Zonder kuiten, en met vingertjes als de etalagepoppen uit de jaren zestig. In zijn handen houdt directeur Mocvic een loodzwaar gewricht. “Neretva-produktie”, zegt hij trots. Het geval is gemaakt van omgesmolten granaten. Natuurlijk, hij weet, Neretva-benen zijn niet populair. Toch maken de buitenlandse benen hem boos. Alleen al een prothese voor onder de knie kost in Duitsland zes- tot tienduizend mark. Reken daar de reis- en verblijfkosten bij, en je komt voor één half been al op vijftigduizend mark. “Voor dat bedrag kunnen wij hier twintig hele benen maken.” Het is juist dit privé-initiatief, meent Mocvic, dat het voor Neretva onmogelijk maakt om op grote schaal te werken. En wat gebeurt er? Iedereen die zich in het buitenland ledematen aanmeet, komt uiteindelijk toch bij Neretva terecht. “Als iemand twee kilo afvalt of twee kilo aankomt moet de hele prothese aangepast. De enigen die dat kunnen zijn wij.” Daarom vraagt hij om geld en materiaal. Natuurlijk, er moet ook een betere opleiding komen. Zo kunnen ze bij Neretva nog geen prothesen maken voor 'hoge' amputaties, waarbij een deel van het schouder- of heupgewricht moet worden vervangen. Maar vergeet niet onder welke omstandigheden hier tot voor kort is gewerkt. Zonder water, gas of elektriciteit, onder de bommen en met personeel dat geen geld, maar slechts één warme maaltijd per dag verdient.

“Professor, professor, mag ik u iets vragen?” Onder het flaneren op de Tito-boulevard fladdert Beba die middag op de econoom Gradašcevic af. Misschien weet hij het. Ja, hij móét het weten als economisch adviseur van de regering. “Wat is het staatstekort, professor?” Koel kijkt hij Beba aan. “U zou moeten weten, juffrouw, dat het heel onbeleefd is om iemand op straat met een dergelijke vraag aan te houden”, zegt hij. Beba krimpt ineen van angst en kan ternauwernood het antwoord onthouden. “Hoe kunnen we tellen wat de inkomsten en de uitgaven zijn. Miljoenen, miljarden?”, had professor Gradašcevic gezegd. “Het is oorlog juffrouw.”