Nederlanders zapten al in de zeventiende eeuw

De samenleving wordt volgens de socioloog Zijderveld bedreigd door een niet aflatende stroom aan 'non-informatie'. Maar volgens J.C. Arnbak ziet Zijderveld het zakelijke karakter van de meeste elektronische informatie over het hoofd. Wie achter de computer kruipt met een belastingschijfje wil weten of zijn data kloppen, niet of ze 'leuk' zijn.

In een toespraak voor ouderen in het hoger onderwijs heeft A.C. Zijderveld onlangs bedenkingen geuit bij de 'info-maatschappij'. De moderne elektronische media veroorzaken “een niet aflatende informatiestroom die ongestructureerd over ons wordt uitgestort”, aldus de samenvatting van zijn rede in deze krant (24 oktober). Van deze uitdijende informatie word je echter niet wijzer, want die is nog geen kennis, meent Zijderveld.

T.S. Eliot vatte dit moderne probleem al zestig jaar geleden aldus samen in zijn gedicht 'Choruses from the rock': Where is the Life we have lost in living?/Where is the wisdom we have lost in knowledge?/Where is the knowledge we have lost in information?

En, zou men kunnen aanvullen: Where is the information we have lost in data? Die stoutmoedige toevoeging komt uit mijn intreerede in Delft in de tweede, 'digitale' helft van deze eeuw (1986). Hoewel ik Zijdervelds zorg dus al geruime tijd deel, denk ik dat er voor het probleem een meer constructieve benadering moet worden gezocht dan zijn ironische distantie.

Ten eerste stelde Zijderveld de recente voortbrengselen en effecten van de digitale technologie (PC's, e-mail, elektronische snelwegen, fax) qua werking en doel ten onrechte op één lijn met al veel langer bestaande massamedia, inclusief kranten. Eerstgenoemde voorzieningen ondersteunen echter correspondentie tussen individuen of hun omgang met specifieke informatieverzamelingen - oude bezigheden van min of meer geletterden. (Europese) kranten en omroepen staan sceptisch tegenover het - technisch wel mogelijke - gedifferentieerd bedienen van zulke 'digitaal geletterde' individuen. Als media zien zij een integraal samengesteld, geordend folioprodukt of omroepprogramma voor een bepaalde doelgroep als hun klassieke ambitie danwel wettelijke taak.

Vooral de 'info-makelaars' van deze massamedia moesten de toorn van Zijderveld ondergaan: zij maken uit wat wij (niet) te horen en te zien krijgen. Zij zijn de nieuwe heersende klasse, meent hij. Of wordt zijn onbehagen eigenlijk gewekt door de (post)moderne ontrouw van hun zappende afnemers, en de soms primitieve reacties hierop van oude heersers om desondanks marktaandeel of kijkcijfers te behouden?

Zulke onduidelijkheden in Zijdervelds analyse hangen deels samen met een ander onderscheid dat hij niet maakt, namelijk dat tussen de bedoelingen van twee belangrijke categorieën van gebruikers van elektronische voorzieningen. De eerste categorie omvat mensen en organisaties met zakelijke bedoelingen. Zij raadplegen gegevens om het nemen van beslissingen te ondersteunen, en achten aldus de gezochte informatie terzake bij concrete handelingen.

Het begrip 'zakelijk' is hier ruimer bedoeld dan 'commercieel' of 'professioneel'. Ook particuliere gebruikers hebben zakelijke bedoelingen. Denk aan de raadpleging van dienstregelingen of het opvragen van een banksaldo, al of niet elektronisch. Anders dan Zijderveld meent, kiest men bij dergelijke vragen bepaald niet voor wat 'leuk' is ,maar voor 'goed' en zelfs 'waar'. Want anders gaan je zaken mis. Voor zulke gebruikers werden PC's, e-mail, fax en mobiele telefoon ontwikkeld.

Over de vraag naar de maatschappelijke consequenties van meer betrouwbare informatie langs deze moderne digitale wegen, zweeg Zijderveld. Des te strenger oordeelde hij over de andere categorie gebruikers: de mediaconsumenten met louter persoonlijke bedoelingen. Hen gaat het om ontspanning, het zoeken van contact, algemene vorming en cultuur. Bij hen zou tegenwoordig maar één criterium gelden: is het leuk? Zo niet, zappen! “Eftelingisering van ons wereldbeeld”, stelde de hoogleraar sociale wetenschappen vast.

Mij past geen oordeel over de wetenschappelijke kwaliteit van deze kenschets van de Nederlandse cultuur. Boven twijfel is dat lidstaten van de Europese Unie nu met rasse schreden economisch afhankelijk worden van informatie- en communicatietechnologie en de hiermee verrichte diensten. Zo was de totale omzet van één en ander in de EU al 414 miljard ecu in 1993, meer dan twee keer het bruto binnenlands produkt van Nederland.

Het door Zijderveld ter discussie gestelde consumptieve gebruik van informatie loopt economisch gezien ver achter bij het zakelijke gebruik: het nagenoeg stabiele aandeel van de gemiddelde uitgaven van consumenten voor alle mediaprodukten (dus ook boeken en kranten) in hun totale consumptieve bestedingen is laag, rond 3,5 procent. Daarnaast bellen consumenten ook voor eigen rekening. De sardonische vraag van Zijderveld of men daarbij eigenlijk elkaar iets te vertellen heeft, lijkt mij moeilijk te beantwoorden. Maar ongeacht het veronderstelde percentage onzakelijk 'babbelen', blijft er economisch gezien meer gebruik van informatie- en communicatietechnologie met zakelijke bedoelingen. Uit de omzetten van 'harde' elektronische goederen (totaal 32 procent) en software en diensten (68 procent) is verder goed te zien hoe de opkomst van de (micro-) elektronica zelf heeft bijgedragen tot de overgang naar een postindustriële samenleving.

Nederland weet daar wat van. In de periode 1989-1994 verloor dit land netto 110.000 arbeidsplaatsen (ongeveer 10 procent) in zijn industrie. Vele ontslagen vielen bij het elektronische vlaggeschip Philips. Met haar recente verwerving van zeggenschap in grote binnen- en buitenlandse netten voor kabeltelevisie toont deze onderneming dat ze ook zelf meer betrokken wil zijn bij moderne dienstverlening.

Het informatietechnologische breukvlak in deze eeuw leidt dus tot grote economische en culturele omwentelingen. Dat verband is vaker gezien. De opbloei van de Griekse cultuur en economie vanaf de zesde eeuw voor Christus viel samen met de overgang van mondelinge naar schriftelijke media. De beschikbaarheid van in fonetisch schrift gestelde culturele uitingen betekende het einde van de rondtrekkende Homerische volkzangers en hun rapsodische geheugentechnieken. Na de uitvinding van de typografische drukpers door Gutenberg en nieuwe scheepsbouw- en navigatietechnieken in Holland legde de koopvaardij in de Gouden Eeuw daar de innovatieve knooppunten in een communicatienetwerk voor wereldwijde inwinning van de meest actuele informatie en razendsnelle herdistributie ervan in gedrukte vorm (kranten en zeekaarten). Alweer ging toepassing van nieuwe communicatietechnologie gepaard met een stortvloed aan - vaak controversiële - informatie, bijbehorende culturele omwentelingen en verlies van historische posities en tradities, onder andere van vorst en Moederkerk.

De Verenigde Nederlanden speelden toen dezelfde internationale rol in information networking als de Verenigde Staten nu, dankzij hun technologische voorsprong, liberale regelgeving en nadruk op snelheid. Zo had Elsevier in mijn geboorteland Denemarken een grote boekhandel in het Beursgebouw te Kopenhagen; de Elsevier-catalogus prees in 1642 naast recente Latijnse titels van onder andere Hugo de Groot ook veel triviale lectuur aan, zoals Honneste Fille en Plaisir des Dames. De varende huurbibliotheken van Jan Janssonius waren mobieler (zijn catalogus omvatte niettemin drieduizend werken, inclusief populaire muziekstukken) en waren Renaissance-voorlopers van de huidige lokale videotheken en pay per view-diensten. Nederlandse software-goeroes kwamen naar Kopenhagen, om bij het hof gezien en gehoord te worden. Vondel was er in 1628 en 1657, en beëindigde zijn bundel De Parnaes aen den Belt. Verscheiden Dichten in Denemarken gedicht met de veelzeggende verzuchting: “O Heer! wil mij verlossen/Van deze Deensche ossen” Kennelijk waren de gastheren niet flitsend genoeg.

Vondels toespeling op het voornaamste Deense handelsprodukt - vetgemeste ossen die rustig over land werden gedreven naar de hanzesteden - spreekt boekdelen over zijn voorkeur voor het snellere leven in de Republiek. Was hij misschien ook een individualistisch denkende postmodernist? Zapte ook hij niet rusteloos, tussen de zeer verschillende religieuze opties die toen in zwang waren?

Té veel van Zijderveld's zappers hebben thans niet veel anders te doen. De traditioneel lage Nederlandse arbeidsparticipatie wordt in de huidige economische overgangsfase verergerd door de velen die onvoorbereid zijn om zakelijk met nieuwe kennis om te gaan. Juist zij zijn aangewezen op het door Zijderveld verguisde consumptieve gebruik van massamedia. Is het werkelijk 'leuk' voor de werklozen? Zo niet, wat doet Nederland eraan? Afstandelijk onderwijs aan ouderen is goed voor wijze reflectie, maar de meest urgente uitdaging in de huidige omstandigheden is het leerplichtig onderwijs, dus aan jongeren. Zoals een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regerinsgbeleid het in 1992 formuleerde: zij moeten “oordeelkundig en participatievaardig” zijn om kansrijk hun entree in de maatschappij te maken. Nu deze samenleving zo snel postindustriële trekken krijgt, met nieuwe sociaal-economische en culturele eisen, is beschouwing en eventuele herijking van het lager en voortgezet onderwijs nodig.

Ik woon lang genoeg in Nederland om te weten hoe gevoelig dat ligt: de huiver om dit onderwijs gemeenschappelijke eisen op te leggen is geworteld in de bijzondere historie van de onderwijsvrijheid. Veel OESO-lidstaten hebben inmiddels tamelijk concrete beleidsprogramma's opgesteld voor de invoering van informatie-infrastructuren zoals elektronische snelwegen. Onderwijs en (bij-) scholing nemen doorgaans een prominente plaats in. In het Nederlandse plan van 1994 was dat niet zo. Wel stelde het actieprogramma van het kabinet Kok een openbaar debat over het 'publieke domein' van de elektronische snelwegen in het vooruitzicht voor dit najaar. Hopelijk zal hieruit blijken of Nederland het zich, gesteld voor de grote economische en culturele uitdagingen van de zich nu snel opdringende postindustriële samenleving, kan permitteren om de historie van het onderwijs als voornaamste uitgangspunt te handhaven. Om de jonge burger beter in staat te stellen zijn eigen 'info-makelaar' te worden, zullen mogelijke veranderingen in het leerplichtig onderwijs zeker niet een postmodernistische afzwering zijn van elke samenhang in dat onderwijs, maar dient dit juist een meer ter zake doende samenhang met het huidige problematische tijdsgewricht te waarborgen.