Met Ulf en Alf gaat het Nedersaksisch bovengronds

Sinds 19 oktober heeft Nederland er anderhalf miljoen tweetaligen bij. De Oostnederlandse dialecten, onder de verzamelnaam Nedersaksisch, zijn door de Tweede Kamer officieel erkend als 'regionale taal'. Maar een Groningse lokettist kan gewoon Nederlands blijven praten. “We moeten anderen onze taal niet opdringen.”

Klanten van de supermarkt in Wolvega vragen hulpcaissière Marit Dijkstra (16) in drie talen waar de suiker of de melk staat. In het Nederlands, in het Fries en in het Stellingwerfs. Marit verstaat ze alledrie, maar antwoordt altijd in het Nederlands. “Mijn ouders hebben geprobeerd me Fries en Stellingwerfs te leren, maar ik vind het gewoon niet zo mooi.”

Ook met haar klasgenoten spreekt ze altijd Nederlands. “Alleen kinderen uit kleinere dorpen praten soms dialect onder elkaar.” Het spijt Marit niet dat ze het Fries en Stellingwerfs niet beheerst. “Dat is uit de tijd, vind ik. Ik leer liever Duits of Engels, daar heb ik meer aan.”

Stellingwerfs hoort bij de verzameling Oostnederlandse dialecten die de Tweede Kamer onlangs erkende als officiële regionale taal, het Nedersaksisch. Volgens dr. S. Reker, streektaalfunctionaris voor de provincie Groningen, is er taalkundig geen verschil tussen streektaal en dialect. “Alleen maatschappelijk is er een verschil, omdat veel mensen dialect beschouwen als plat of boers Nederlands. Maar dialect is altijd een taal, of het nu erkend is als streektaal of niet.”

Het Stellingwerfs wordt gesproken in de gemeenten Oost- en Weststellingwerf, in het zuidelijke deel van Friesland tegen de grens met Drenthe aan. Het is het enige stukje Friesland waar oorspronkelijk geen Fries wordt gesproken, al wonen er tegenwoordig veel Friezen die hun eigen taal blijven spreken. Het Stellingwerfs lijkt weinig op het Fries. Het heeft meer verwantschap met het Drents, Gronings en het Achterhoeks, andere talen die bij het Nedersaksisch horen.

Door de erkenning van het Nedersaksisch als regionale taal verplicht Nederland zich zich in te spannen om de taal te behouden, maar hoe dat gaat gebeuren is nog onduidelijk. De gemeenten Oost- en Weststellingwerf voeren al jaren een actieve politiek voor het behoud van de eigen taal en cultuur. Beide gemeenten subsidiëren de 'Stellingwarver schrieversronte', een cultureel genootschap dat een eigen literair tijdschrift uitgeeft en werkt aan een Stellingwerfs woordenboek. Een groter bedrag gaat naar de basisscholen.

De Stellingwerfse kinderen krijgen in plaats van Fries elke week een tot twee uur 'heemkunde'. Daarvoor kunnen onderwijzers kiezen uit een uitgebreid lespakket dat een gemeentelijke medewerker heeft ontwikkeld. Er zijn videofilms over Ulf, Olf en Alf: drie kabouters die in het Stellingwerfs protesteren tegen het kappen van hun kabouterbos, lespakketten over 'waarom varkens altied vrotten', 'Stellingwarf in de Middelieuwen' en een cd-rom over de planten en bloemen die binnen de gemeentegrenzen voorkomen. Voor docenten die niet uit de streek komen wordt een nascholingscursus gegeven. “Maar taallessen kunnen natuurlijk alleen worden gegeven door docenten die van jongs af aan dialect spreken. Anderen zullen het moeten doen met geluidsbanden, of meer de nadruk op de geschiedenis van de streek moeten leggen”, zegt J. de Vries, hoofd onderwijs van Weststellingwerf.

De Vries is een van de voorvechters van heemkunde. “Het is absoluut niet mijn bedoeling de kinderen chauvinistisch te maken”, zegt hij. “Dat gebeurt boven de Tjonger (de rivier die de Stellingwerven van het Friese taalgebied scheidt) vaak wel anders. Maar zo fanatiek zijn wij niet. We vinden het belangrijk dat kinderen hun eigen omgeving kennen, voordat ze over de rest van de wereld leren.” De Stellingwerven hebben volgens De Vries geluk dat ze in Friesland liggen. “Heemkunde is ontstaan omdat we begin jaren tachtig een alternatief moesten hebben voor het verplichte vak Fries op de basisschool. Want daar waren de ouders hier niet zo blij mee.”

Het Nedersaksisch komt voort uit het Westgermaans en is waarschijnlijk rond het begin van de jaartelling ontstaan. Het is een verzamelnaam voor verschillende Oostnederlandse talen, zoals het Gronings, het Drents, het Stellingwerfs en het Achterhoeks, en een aantal Noordduitse talen. Het taalgebied strekt zich uit van de IJssel in het westen tot de Oder bij Polen. In Duitsland spreken naar schatting tien miljoen mensen verschillende varianten van het Nedersaksisch, dat in het Duits 'Niederdeutsch' of 'platt Deutsch' wordt genoemd.

In Nederland wordt door anderhalf tot twee miljoen mensen Nedersaksisch gesproken. De verschillende Nedersaksische talen hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken. Een voorbeeld is de vervoeging van het werkwoord. De meervoudsvorm krijgt - behalve in het Gronings - een t achter de stam: wij loopt. De ij-klank komt in het Nedersaksisch nauwelijks voor. Die is 'ie' gebleven, zoals bijvoorbeeld in 'blieven' en 'kriegen'.

Hoewel de Duitse en Nederlandse Nedersaksische talen nog steeds veel op elkaar lijken, zijn ze in de loop van de twintigste eeuw verder uit elkaar gegroeid door de invloed van de standaardtaal, zegt prof. H. Niebaum, hoogleraar Nedersaksische taal- en letterkunde bij het Nedersaksisch instituut in Groningen. “Als een Groninger zijn best doet, kan hij zijn Duitse buurman die dialect spreekt wel een beetje begrijpen, maar vooral nieuwere woorden zal hij moeilijk verstaan. Een Groninger die 's avonds naar het NOS journaal kijkt, zegt dat hij 'televisie kikt', een Duitse Oostfries praat over 'fernkieken'.” Nieuwe woorden worden aan de standaardtaal ontleend en de oude gemeenschappelijke woorden verdwijnen in hoog tempo omdat bijvoorbeeld oude gebruiken en ambachten verdwijnen.

De positie van het Nedersaksisch in Duitsland verschilt met die in Nederland, zegt Niebaum, die sinds twaalf jaar in Nederland werkt en eerder aan verschillende Duitse universiteiten onderzoek naar het Nedersaksisch deed. In Duitsland kan het Nedersaksisch op meer overheidssubsidie rekenen. Op vijf Duitse universiteiten zijn leerstoelen Nedersaksisch, en op verschillende lagere scholen wordt de streektaal onderwezen.

Volgens Niebaum is er de laatste jaren een herwaardering van de streekcultuur in Duitsland te zien. “Het heeft te maken met de Europese eenwording. Mensen willen geen culturele uniformering, ze willen hun eigen culturele regio behouden. Er is nog nooit zoveel gepubliceerd in dialect als nu.” Vorig jaar besloot de Duitse Bondsdag de Niederdeutsche dialecten als officiële streektaal te erkennen. Die beslissing volgde op een krachtige lobby vanuit Noord-Duitsland, zegt Niebaum. “Binnen een maand waren in Sleeswijk-Holstein 20.000 handtekeningen verzameld om druk op de Bondsdag uit te oefenen.”

Nederland moet het doen met één leerstoel voor het Nedersaksisch, die hoort bij het Nedersaksisch Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen. En alleen de Stellingwerfse kinderen krijgen les in hun streektaal. Veel werk, zoals het maken van woordenboeken, wordt door vrijwilligers gedaan. Wel subsidiëren de verschillende provincies kleinere instituten - zoals de IJsselacademie in Zwolle, het Staringinstituut in Doetinchem - die onderzoek doen naar de lokale dialecten. De provincies Drenthe en Groningen hebben daarnaast streektaalfunctionarissen, die lokale initiatieven zoals toneel in dialect ondersteunen en het dialect bestuderen en meewerken aan literaire tijdschriften, zoals Toal en Taiken in Groningen, en Oeze Volk in Drenthe.

Volgens Niebaum wordt in Duitsland ook anders tegen sprekers van dialecten aangekeken. “Kijk naar Kohl, zelfs als hij Hochdeutsch spreekt hoor je zijn accent. Niemand lacht hem uit om zijn dikke 's'.” Niebaum ergert zich “behoorlijk” aan het feit dat in Nederland vanuit het westen op dialectsprekers wordt neergekeken. “Het is randstedelijke arrogantie. Dat naäpen is echt niet grappig. Het lijkt soms wel of je je in Nederland moet schamen als je dialect spreekt.”

Dat beaamt J. Salverda-Kuijpers, een 77-jarige inwoonster van Weststellingwerf. Zij sprak met haar kinderen thuis bewust dialect. Maar veel andere ouders deden dat niet. “Ze hoopten dat hun kinderen met Nederlands meer kansen hadden. Maar mijn kinderen hebben allemaal gestudeerd, en hebben een goede baan. Ze wonen nu allemaal ergens anders, maar als ze me bellen, gaat het in het Stellingwerfs. Het geeft je het gevoel dat je thuis bent.” Haar plaatsgenote M. Hettinga spreekt geen Stellingwerfs. “Nu vind ik het jammer”, zegt ze “maar toen ik jonger was, wilde ik er niets van weten. Ik vroeg een keer iemand op straat in Wolvega hoe laat het was, en hij zei toen: 'vuuf voor vuuf'. Dat vond ik vreselijk! Zo wilde ik nooit praten.”

Nadat het Nedersaksisch in Duitsland was erkend als streektaal, werd ook in Nederland een lobby gevoerd voor de erkenning van het Nedersaksisch. Initiatiefnemer daarvan was de Streektaal Organisatie Oost-Nederlands Taalgebied. S. Reker, streektaalfunctionaris van de provincie Groningen, was daarbij betrokken, al moet hij een beetje lachen om het woord lobby. “We hebben succes behaald omdat we goede argumenten hadden, waar niemand omheen kan. Als het in Duitsland wel een taal is, waarom in Nederland dan niet?”

Wat Reker betreft betekent de erkenning van het Nedersaksisch als streektaal niet dat een regionale taal als het Gronings eenzelfde positie krijgt als het Fries in Friesland. “Ik heb bewondering voor wat er in Friesland is bereikt, maar sommige dingen gaan voor onze regio te ver.” Tweetalige straatnaambordjes hebben niet de eerste prioriteit. Een speciaal juridisch woordenboek, zoals nu in Friesland wordt gemaakt omdat elke verdachte recht heeft op een tolk, lijkt hem overbodig. Er is geen Groninger die alleen Gronings spreekt. “Het lijkt mij ook niet goed als een niet-Groninger die hier een treinkaartje koopt, alleen in het Gronings benaderd wordt. We hoeven onze taal niet aan anderen op te dringen”

Reker is wel voorstander van Nedersaksische les op school. Dat heeft volgens hem weinig met chauvinisme te maken. “Het is toch logisch dat je op school over je eigen regio leert?” Bovendien kan les in de streektaal gunstig zijn voor de taalontwikkeling van kinderen, denkt hij. “Kinderen die Gronings spreken hebben bijvoorbeeld moeite met de lidwoorden, die in het Gronings anders zijn. Als ze op school Gronings zouden leren, kunnen ze de Nederlandse regels ook makkelijker hanteren omdat ze beide talen kunnen onderscheiden.”

Maar M. Louppen, gedeputeerde voor cultuur in Gelderland voor D66, heeft haar twijfels over de noodzaak van dat onderwijs. “Zo'n belangrijke positie neemt de regionale taal in Gelderland zeker niet in.” Is het het geld wel waard, vraagt ze zich af. “We hebben zeker waardering voor de regionale talen, zoals hier het Achterhoeks, maar daarom hoeven ze nog niet tot tweede taal te worden verheven.” Volgens Louppen was de erkenning van het Nedersaksisch als taal dan ook niet echt nodig.

Ook H. Entjes, oud-hoogleraar Nedersaksische taal en letterkunde vindt de erkenning “eigenlijk een beetje onzin”. “Nu hebben ze gezegd dat het een taal is, maar wat betekent dat? Dialect is altijd taal. Ze zullen nu alle dialecten wel als streektaal moeten erkennen. Het Limburgs lijkt nog minder op het standaard Nederlands.” Het enige voordeel zou kunnen zijn, denkt Entjes, dat dialectsprekers zich minder voor hun dialect schamen, en dat daardoor het aantal mensen dat een regionale taal spreekt minder snel zal dalen. “Al valt die daling hard mee. Als ik in Zwolle loop, hoor ik toch heel veel mensen dialect praten.” Dat was vroeger anders, volgens Entjes. “Toen ik op de middelbare school zat in Almelo, praatten we pas op de fiets naar huis weer dialect. Op school schaamden we ons er voor. We hadden het idiote idee dat we, als we Nederlands spraken, tot de elite behoorden.”

Dr. A. Schaars, wetenschappelijk medewerker van het Staringinstituut in Doetinchem, neemt een opleving waar in de waardering voor het dialect. “De laatste tien jaar wordt het meer gesproken. Het idee dat het een stom boerentaaltje is, verdwijnt.” Het wordt normaler om een arts of onderwijzer in dialect aan te spreken, zegt Schaars. Literatuur en muziek in de streektaal, zoals van de popgroep Normaal, is populair. “Een eigen regionale taal spreken is voor veel mensen belangrijk voor hun identiteit.”

Dat laatste vindt ook Reker. “Dialect geeft mensen warmte, een gevoel van thuis. Het heeft iets aangenaams.” Maar zijn eigen kinderen willen tot zijn spijt alleen Nederlands praten. “Vanaf het moment dat ze op de basisschool zaten, zijn ze gestopt met Gronings te praten. Laatst waren we op de tennisbaan, en zei mijn vrouw: 'dij baal was uut'. 'Je bent niet op de boerderij', zei mijn zoon toen. Misschien komt het nog terug als hij ouder is.”