Menselijk of politiek

Wat is het toch een rotvak, de politiek. En dan bedoel ik niet de zwaarte van het politiek bedrijf maar de omgangsvormen. Ik heb het natuurlijk over de kwestie-Sorgdrager, een paar dagen frontpaginanieuws en nu weer weggezakt tot commentaar in de zijlijn. Bij wereldnieuws als de aanslag op Rabin verbleken kwesties als gouden handdrukken, net als gemopper over het gat in haar hand terwijl het huis in brand staat. Maar er zijn een paar dingen in de discussie over Sorgdragers optreden die in mijn hoofd blijven hangen. Het gaat me daarbij niet om gelijk of ongelijk of om de exorbitante hoogte van de wegkoopsom - inderdaad niet te verkopen en niet te verteren - maar om het politieke gedrag dat hier getoond werd. Sorgdrager werd niet alleen gekapitteld om de hoogte van het bedrag, maar ook om haar verdediging hiervan en ten slotte om haar verzoek om vertrouwen. Ze wilde niet terugkomen van haar besluit - wat me ook niet mogelijk leek gezien haar handtekening - maar het ging ook niet om de zinvolheid van dit verzoek, maar om het gevraagde betoon van berouw en gehoorzaamheid. Haar weigering om de onderhandelingen met Van Randwijck te heropenen deed de ergernis al groeien, maar toen overtrad ze een tweede politieke grondregel, wat voor menig verslaggever zo ongeveer de ultieme blunder is: ze twijfelde, gezien de harde kritiek, of er nog wel voldoende vertrouwen was in haar beleid. Dit nu had ze nooit mogen doen, begrijp ik uit vele toonaarden, want het eerste gebod in dit bedrijf is: toon nooit zwakte, want dat maakt zwak en houdt zwak. Vergoelijkend wordt wel gezegd - zoals Kok vrijdagavond tijdens zijn wekelijkse televisie-interview - dat het menselijk wel begrijpelijk was. Maar menselijk staat hier kennelijk tegenover politiek en dat spel kent andere regels.

Sorgdrager deed een paar dingen tijdens het debat waar ik grote bewondering voor heb: ze erkende fouten en draaide daar niet om heen, ze nam de verantwoordelijkheid en schoof deze niet af, en ze liet merken hoe hard de kritiek aankwam. Ze toonde zich getroffen, en herstelde zich, wat ik knapper werk vind dan de gedepersonaliseerde beheersing die we meestal bij politici aantreffen. Dit zou een man nooit zo gedaan hebben, dacht ik tijdens het debat; die zou zich vermand hebben, en wat zou het goed zijn als ze dat wel deden. In het koor van afkeuring de volgende dag in de kranten klonk ook van een enkeling enige bijval, zoals respect voor haar moed en haar eerlijkheid en voor het feit dat ze zich geen moment achter haar ambtenaren had verscholen, door wie deze regeling natuurlijk tot stand was gekomen.

Maar kennelijk telt dat niet in dit spel: je gooit er althans geen hoge ogen mee. Wat telt is de lucht van zwakte: dan ruikt men bloed en laat als in de jacht de prooi niet gauw los. Hier werd een lesje geleerd. Een vrouw in de politiek is leuk, maar ze moet zich wel weten te gedragen. Vragen om vertrouwen is niet nodig, bitste Bolkestein haar toe, omdat “elke minister het vertrouwen van de Kamer heeft totdat het tegendeel bewezen is”. Formeel-juridisch zal hij gelijk hebben, maar men leeft niet van de wet alleen. Je moet wel volslagen vereelt in het vak zijn of een mechanische struisvogel om op zo'n moment niet sterk de behoefte te voelen om te weten op wie en wat je nog kunt rekenen (zeker als je eigen fractie nog een duit in het zakje doet). Maar kennelijk hoort dit niet en dan slaat het oordeel om. Wat voordien als open en onbevangen werd beschouwd, als praktisch en fris, wars van jargon, dat heette nu naïviteit, onbeholpenheid en gebrek aan politieke ervaring.

Vrouwen doen in dit kabinet normaler mee dan ooit en er wordt daarbuiten ook minder gezeurd over een split in de rok, een aantrekkelijke bril of verleidelijke stem. Ze worden gewoner beoordeeld op hun werk en minder spastisch op hun voorbeeldfunctie. Maar nu er iets misging werd ze opeens weer als onbeholpen meisje bekeken: leuk, maar in de echte wereld kan dit natuurlijk niet. Dat maakt die wereld vaak ook zo ontzettend vervelend.