Kabinet beslist vrijdag over vrijgave rapport

DEN HAAG, 7 NOV. Het kabinet bespreekt vrijdag het verzoek van de parlementaire enquêtecommissie aan de ministers Sorgdrager (justitie) en Dijkstal (binnenlandse zaken) om het geheime deel van het rapport-Wierenga over de IRT-affaire af te staan.

Sorgdrager en Dijkstal weigeren tot dusver het geheime document aan de enquêtecommissie te overhandigen. Het gaat om verslagen van verhoren door de commissie-Wierenga, begin 1994, van 27 personen die bij de IRT-affaire betrokken waren. De voorgangers van Sorgdrager en Dijkstal, Hirsch Ballin en Van Thijn, hebben destijds toegezegd de verslagen geheim te houden. De huidige bewindslieden willen die belofte nakomen.

De enquêtecommissie probeert het geheime stuk al lange tijd los te krijgen om de inhoud te betrekken bij het eindrapport over de opsporingsmethoden van politie en justitie. Volgens Van Traa zijn inmiddels zestien personen akkoord met de overdracht van de stukken aan zijn commissie. Elf zijn tegen openbaarmaking. Van Traa zei gisteren na afloop van de verhoren dat een succesvol beroep op het staatsbelang door het kabinet hem onwaarschijnlijk lijkt. Het begrip staat nergens precies gedefinieerd en er bestaat ook geen jurisprudentie over, aldus Van Traa. Hij verwacht dat de stukken na vrijdag alsnog zullen worden overgedragen.

Vanmiddag zou Van Traa de correspondentie tussen enquêtecommissie en bewindslieden aan de Tweede Kamer aanbieden. De commissie kan, op basis van de Wet op de parlementaire enquête, in het uiterste geval de Kamer inschakelen, als de ministers een beroep doen op het staatsbelang. Zij moeten dan uitleg geven over hun motieven.

Tijdens de verhoren van gistermiddag zei A. Patijn, raadsadviseur van de directie wetgeving van het department van justitie, dat hij sinds 1989 verschillende keren heeft geprobeerd wetgeving te maken voor de opsporingsmethoden van politie en justitie. De toenmalige directeur-generaal J. Suyver, inmiddels de hoogste ambtenaar van Justitie, liet Patijn echter weten “geen behoefte” te hebben met de voorstellen naar minister Hirsch Ballin te stappen. Patijn legde zich daarbij neer, maar kwam drie jaar later opnieuw met een nota over regelgeving voor bijzondere opsporingsmethoden. Maar Hirsch Ballin zweeg. “Ik wilde niet te drammerig overkomen”, zei Patijn gistermiddag. Op de vraag of ze hem op het departement “een beetje lastig” vonden antwoordde Patijn bevestigend.

De wetgevingsjurist vertelde de commissie dat het 'klimaat' voor een hardere aanpak van de georganiseerde criminaliteit op het departement werd veranderd onder minister Korthals Altes, midden jaren tachtig. Vanaf 1989 werd dat beleid voortgezet door Hirsch Ballin. Patijn zag in dat er regelgeving moest komen, maar wie daarover begon “hoefde in die tijd niet te rekenen op een erg gewillig gehoor”.

Die indruk bestond ook in de Tweede Kamer. Het Kamerlid Korthals (VVD), beheerder van de justitieportefeuille in zijn fractie, vertelde de enquêtecommissie dat in de Kamer een sfeer van harde aanpak van de misdaad overheerste. “Als je de minister van justitie ernaar vroeg, was het antwoord dat de opsporing onder supervisie van de officier van justitie gebeurde en dat er nauwkeurig werd gecontroleerd”, zei Korthals. Volgens de VVD'er kan de Kamer die taak niet overnemen. “Je moet afgaan op wat de minister meldt. De Kamer heeft niet de taak de politie te controleren.”